2012

begrippen :
peristaltiek
proglottine
cleidoisch ei
glucagon
lag strand (dna)
spermatide
diencephalon
ptyaline
dermatoom
bloedgroep B
IgA
oesophagus
lus van Henle
acetylcholinerase
vas deferens
kanaal van Wolf
asyclisch fotosysteem 1
TPA
Sewall-wright effect
malaria
dwarsuitsteeksel wervel
glomerulus
14C-methode
Romer-hypothese
Gefigureerde elementen
vruchtwater
celcyclus
holoblastische klieving
plasmide
grana tylakoid
arterie
vene coronis
cerceria larve
Kwashiorkor
speciatie
SR
bloedgroep O
oedeem
Duodenum
somieten mesoderm
Basedow
Mannelijke Pronucleus
Bloedgroep BBeenmerg
Caissonziekte
michtochondria
unduliphodia
anopheles
evolutief belang menstruele cyclus
Allontoïs
Cretinisme
Sympatische synaps
RAS
igG
macrofaag
Romer
probleem rhesusfactor
Metanephridium
erythopoiëtine hoogte adaptatie
drager van de ziekte van lyme
beenmerg
flessenhalseffect
cretinisme
archentron
telencephalon
epitoop
allantois
chemische synaps
sympatisch ganglion
kanaal van Wolff
cellen van Sertoli
galblaashypomerisch mesoderm
jenner
fossiel
plasmine
fotosynthese 2
vaccinatie
malariemug
bloedgroep O
venule
arteria carotis
3′ poly-A-staart
Telolecithaal
G0-fase celcyclus
PellagraWeefseldifferentiatie
Sympatisch ganglion
Coronair bloedvat
ethologische voortplantingsisolatie
solenocyt
structuur epitoop

stellingen:
transcriptiefactoren binden op cis sequentie
tijdens systole is de druk in de arteries hoger dan tijdes diastole
eiwitten worden verteerd door pesinogeen protease
lynn margulis gaf het ontstaan aan van germen en soma
de schildklier zorgt ervoor dat Ca++ spiegel niet te laag wordt
hybriede steralisatie ontstaat door een probleem in meiose 2
O2 arm bloed komt via vena cava toe in het linker atrium
Het flessenhalseffect zorgt voor een verkleining van de genetische variatie
De ontogenie houdt zich bezig met het bestuderen van de fylogenie
ADH zorgt ervoor dat je meer plast bij overmatig alcoholgebruik
De longen en de zwemblaas ontstaan beiden uit het endoderm.
Bij de klievingsdelingen worden de dochterblastomeren steeds kleiner.
Het zuurstof dat geproduceerd wordt bij de fotosynthese komt van CO2.
Het autonome zenuwstelsel maakt ons lichaam gereed voor vecht-of vluchtsituaties.
Chloronsis sinensis zit in de darm
Vitamine D veroorzaakt rachitis
de linkerventrikel stuurt zuurstofarm bloed naar de longen
een tekort aan jodium kan Goiter veroorzaken
donor B- kan herhaaldelijk bloed geven aan ontvanger B+
Het gefiltreerde urine in de glomerulus is in essentie gelijk aan lymfe
Glycolyse heeft geen O2 nodig en er is nog geen vorming van ATP
protease werkt enkel in duodenum
A- mag herhaaldelijk doneren aan A+
meiose 1 gebeurt tussen primaire en secundaire spermatocyt
Vitamine B1 veroorzaakt pellagra
Romer leert ons het verschil tussen germen en somacellen
Na het optreden van het sewall-right effect is de genetische variabiliteit klein
glucagon en insuline zijn hormenen aangemaakt in de alvleesklier , ze regelen de suikerspiegel
cryptorchidie kan alleen voorkomen bij mannen
taenia saginata is een parasiet die leeft in de lever
het hart is een pomp maar geen ecretieorgaan
door de Na+ pompen in de lus van henle is onze urine zeer geconcentreerd en het urinevolume klein
polyclonale antisera bevatten meerdere epitopen tegen een anitgen
passieve vaccinatie is het inspuiten van antilichamen die antigenen vernietigen
warmwatervissen moeten efficienter 02 uit water halen dan koudwatervissen
het vas deferens loopt over in onze urether
een donor met AB en rhesus positief mag herhaaldelijk bloed geven aan AB+
Echinodermata hebben een enterocoeloom
urtafiltraat gelijkt op lymfe
zwangerschaps test kijkt men naar LH
Jenner deed aan passieve immunisatieeen nefron en metanefridium voeren allebei stoffen af van coeloomvloeistof flessenhalseffect komt door selectieve druk (ofzoiets)Rh+ heeft antilichamen tegen Rh-
Amniota kunnen niet overleven op land zonder cleidoisch ei

hoofdvragen:
– teken, benoem en geef uitleg bij zygote tot volwassen, dwars en sagittaal, me de juiste kleuren voor de schizocoelomaat
– geef levenscyclus taenia solium
– teken spijsverteringsstelsel en geef voor eiwitten de vertering aan + welke hormonen worden gesecreteerd voor vertering in duodenum? + waarvoor dienen lever en pancreas
– Geef de bindingscurve van zuurstof. Hoe wordt zuurstof optimaal afgegeven aan actief ademende weefsels ? + leg bohreffeft uit en hoe zuurstof tot bij de individuele cellen geraakt
– bespreek de homeostase van de bloeddruk.
– bespreek de humorale adaptieve immuniteit (en waarom deze specifiek is)
– bespreek de homeostase van calcium
– sagittaaldoorsnede van een chordaat tekenen en benoemen
– bespreek meiose 1 volledig, wat gebeurt er tijdens meiose 2, waar in de spermatogenese treedt meiose 1 op
– bespreek de cellulaire ademhaling volgens de 5 stadia met bijhorend schema
– hoe gebeurt bloedstolling? en hoe kan een trombus nog gered worden?
– fotosynthese
– doorsneden schizocoelemaat
– alles wat met ‘genen als transcriptionele eenheid van het leven’ te maken heeft (–> major fail)
– teken dwarse doorsnede chordaat, benoem en zeg tot wat het allemaal zal evolueren- doornsede bloedvaten (gelijkenissen en verschillen noemen)- dwars doorsnede pseudocoelomata- endocriene functie schildklier
– beschrijf de evolutieve adaptaties van de vertering en voedselopname bij deuterostomia, geef voorbeeld in de stamboom (ongeveer = OK)
– leg uit chomosoomdiminutie theorie , determinatieve klievings theorie uit, is er staving? hoe heeft men experimenteel bepaalt dat chromosoomdimunitie theorie onjuist is, wat wilde men vaststellen naar aanleiding van determinatieve klievingstheorie. + de experimenten erbij
– verklaar het vervoer van lymfevocht in onze onderste ledenmaten en wat gebeurt er als het systeem hapert
– beschrijf kiewwerking bij vissen
– teken een nefron en bespreek nierwerking. Bespreek ook hoe juist de nieren specifiek invloed kunnen hebben op de bloeddruk
– Bespreek eiwitsecretie van eukaryoten aan de hand van tekeningen
– bloedsomloop van zoogdieren- hoe kan sympatrische soortvorming ontstaan- waarom is de adaptieve immuniteit specifiek +zwangerschapstest uitleggen
– kieuwademhaling van vissen met tegenstroom principe
– leg eiwit translatie uit en hoe komt een eiwit op de goede plek (sequence)
– wat is het probleem met eencorssreactie als je als onderzoeker uit wil uitzoeken en leg de kruisreactie uit

– zwangerschaptest
– sympatisch zenuwstelsel
– enchondrale verbening
-thyroidea: wat kan er met mislopen, wat zijn daar de effecten van, leg het feedback-systeem uit en antagonistische werking met parathormoon
-teken vanaf de bevruchting tot de ontwikkeling van lichaamsholte van C. Elegans of Ascaris
-Cleidoisch ei: belang en ontwikkeling in ei
– Hoe is de aorta pulmonalis ontstaan
-ontogenese van het zenuwstelsel bij embryologische ontwikkeling
-RAS (mechanisme uitleggen, gelijkaardige mechanismen met hetzelfde resultaat)

practicum:
voorn (denk ik): situeren op stamboom enz
darm tekenen als je de dwarsdoorsnedes krijgt van heel zen lichaam
kikker: tekenen en benoemen
Regenworm teken en benoem zoveel mogelijk (niet makkelijk, leer die moeilijke begrippen vanbuiten, want ik kon er niet opkomen!)
lancetvisje: tekenen en benoemen

extra die op de pagina van bmw zijn gekomen (zullen wss grotendeels overlappen)

PAS OP!! Vragen keren terug! Ga dus zeker geen leerstof schrappen door deze lijst!

Hoofdvragen
– geef de ontogenese van de nier bij de vertebraten
– vergelijk de bloedsomloop en hart van de vis en de muis
– beschrijf de endocriene functie van de schildklier
– leg de menstruatiecyclus uit en wat er verandert bij een zwangerschap
– situeer de cleidoische vliezen en functie
– leg de synthese van secretie-eiwitten uit
-embryonale ontwikkeling van chordata van zygote tot neurula ( wat is fertillisatiemembraan, voor wat dient het, waarom kunt ge zeggen dat het epineurii is, wat is een klievingsdeling)
-werking en bouw van kieuw ( vooral extra uitleg geven bij de kieuwfilamenten die tegen elkaar staan waardoor het water er goed door kan)
-bespreek endoskelet van vertebrata ( wat is cervicaal, axiaal en visceraal skelet, waarvoor dienen de dwars en doornuitsteeksels van de wervel, hoe wordt de schedel gevormd)
– Geef tips en tricks voor het inplanten van humaan groeihormoon in een bacterie
– Bespreek compartimentalisatie van het verteringsproces en de vertering.
– Bespreek bloedstolling
– Geef een voorbeeld van sympatrische speciatie
– leg cellulaire ademhaling uit in kuitspier
– leg uit hoe insuline in bacterien tot expressie kan worden gebracht
– Bespreek de cyclus van de Chlonorchis sinensis (ook zeggen dat het cercariae larven zijn)
– zwangerschapstest
– de sagittale en dwarse doorsnede van chordaat-vertebraat
-Bespreek de embryogenese van een oligolecithale zee-egel en een telolecithale schildpad. ( moest hij dit vragen, vergeet er dan zeker niet bij te melden dat de schildpad ontstaat uit cleidoïsch ei)
– Bespreek de karakteristieken van plasmide die omgezet is via recombinanteiwitten door inknipping van cDNA
-Bespreek meiose I voor een cel met 4 chromosomen in het zygote stadium (goed weten hoeveel chromosomen wanneer, bivalent en half-bivalent, welke chromatiden van hetzelfde chromosoom zijn)
Practicumgedeelte
-teken het preparaat over
-de soort doorsnede
-de naam
-benoem alle delen op tekening
-bespreek de doorsnede door een fylogenetische boom te tekenen en de typische kernmerken te geven

2013

– Teken het vestibulaire, mesiale en occlusale aanzicht van de 1e bovenpremolaar en benoem/beschrijf de belangrijke morfologische kenmerken.
– Vergelijk aan de hand van tekeningen de centrale bovensnijtanden met de centrale ondersnijtanden. Geef de 3 belangrijkste verschillen.
– Teken de eerste ondermolaar en geef de belangrijke morfologische eigenschappen. Geeft de 3 belangrijkste verschillen met de 2e ondermolaar.
– Een vraag over doorbraaktijden: een patiënt bezit al zijn melktanden van de bovenkaak, zijn melkhoektanden, melkmolaren, definitieve molaren en definitieve onderste incisieven. Hoe oud schat je deze patiënt? a) 5-7 b) 8-9 c).. d).. (meerkeuze)
– Een vraag over welke kuspiden het hoogst is van een bovenmolaar (meerkeuze)
– Een vraag over de eigenschappen van de premolaren.a)Bij welke van de premolaren is de centrale groeve soms afwezig?b)Welke van de premolaren heeft een niet werkend linguaal/palataal kuspide?c)Welke van de premolaren heeft altijd 2 wortels?
– Herkennen van een tand + 3 redenen waaraan je dit kan afleiden
– idem

2012

1) Centrale ondersnijtand tekenen en verschillen geven met laterale ondersnijtand
2) Occlusaal vlak tekenen van eerste onder- en eerste bovenpremolaar. De verschillen geven.
3) Eerste rechterbovenmolaar tekenen. Verschillen en gelijkenissen geven met de tweede melkmolaar
4) a. Welke stellingen zijn juist of fout? (Grappige vraag, ze zijn toch allemaal juist of fout?)
– vergeten
– pulpholte relatief groter bij melktanden dan definitieve tanden
– melksnijtanden breder dan hoog in vgl met definitieve tanden
– eerste ondermolaar occludeert met 2e bovenmolaar
4) b. aantal wortels, aantal kanalen, aantal pulpahoornen, namen van de wortels. Van 4 tanden, premolaren en molaren
4) a. leeftijdsbepaling: die en die tanden zijn aanwezig. Hoe oud schat je het kind?
4) d. twee tanden herkennen + 3 argumenten geven waarom het die tand is.

2008

1) Teken V,M,L en O aanzicht van de tweede rechter onderpremolaar en benoem de belangrijkste morfologische kenmerken (geen beschrijving)
2) Teken achtereenvolgens het incisale aanzicht van de centrale boven- en ondersnijtand en geef de belangrijkste veschillen (enkel incisaal)
3) Teken de eerste rechter ondermolaar en geef de belangrijkste verschillen met de eerste bovenmolaar.
4a) Welk nummer hebben volgende tanden:
-linker boven melkhoektand
-tweede onder melkmolaar
-3e rechter ondermolaar
-tweede linker bovenpremolaar
4b) Welke definitieve tanden komen er op de plaats te staan van de tweede melkmolaar?
-eerste premolaar
-tweede premolaar
-eerste molaar
-tweede molaar
-derde molaar
4c) Welke tanden heeft een 9-jarig kind?
-MHT
-HT
-… (alle mogelijke tanden staan opgesomd)
4d) Welke tand is dit? (tekening v. melktand 85) Geef de algemene kenmerken waarop uw antwoord is gebaseerd.

2016

Hoofdvragen

* Wat is een kieuwboog, kieuwspleet en kieuwzakje (tekening en tijdstippen). Wat komt er verder uit 3e kieuwboog, -zakje en -spleet. Ook aan de hand van tekening.
* Ontwikkeling van de mannelijke gonaden en secretiewegen? vanaf de 6e week.
Leg ontstaan van de nekwervels uit vanaf de gastrulatie.
* Leg het ontstaan van de thymus en de tong uit met bijbehorende tekeningen. Geef ook de bezenuwing van de tong.
* Leg het ontstaan van het secundaire palatum gedetailleerd uit aan de hand van tekeningen.
* Geef een definitie van de primaire neurulatie. Hoe verloopt dit proces? Leg uit aan de hand van tekeningen
* Wat komt er uit de eerste 12 somieten en hoe worden die weefsels dan gevormd?
* Zijplooi: uitleggen met tekeningen, data, functie, oorzaak
* Vorming neusholte (+ sinussen)

Bijvragen

 

* Wat zijn hemangioblasten?
* Wat is de ‘genetic conflict hypothese’
* Geef een definitie van glazuurknoop (enamel knot).
* Corrigeer indien nodig: ‘de prostaat komt voort uit de ductus mesonefricus.’
* Teken het embryo dag 12-13 en benoem alle structuren die je tekent.
* 4 structuren aanduiden op tekening= allantois, amnion, …
* Corrigeer indien nodig: deletie op 22q11.2 geeft aanleiding tot Beckwith-Wiedemann? en is een neurocristopathy.
* Waarvan is de dermis van het gelaat afgeleid?
* Uit wat bestaat de processus intermaxillaris en wat vormt het?
* Treacher collins
* Wat komt uit 1e en 2e kieuwzakje
* Uit wat komt enterale zenuwstelsel
* Duurt metafase2 -> anafase2 evenlang bij spermagenese en oogenese

* juist/fout: de pkc komen uit intermediair mesoderm

2015

* bespreek de craniale kromming met tekeningen + oorzaken + waarom gebeurt het
* bespreek de vorming van tong (met tekeningen), bespreek de tong bezenuwing + ontstaan schildklier (met tijden)
* bespreek ontstaan primair en secundair palatum (met tekeningen + tijden)
* juist/fout: ectoderm vormt uit hypoblast
* foetale leydig cellen produceren …. dat volgende effecten heeft op de ductus mesonefricus: ….
* uit paraxiaal mesoderm van de hals vormen zich … die verder uitgroeien tot …
* dermis van aangezicht vormt uit …
* juist/fout: membraan van Heuser is scheiding tussen amnion holte en chorion holte. Maak tekening ter verduidelijking
* laterale plaat mesoderm: ontstaan en waar bevindt het zich na week 4

2014

Hoofdvragen:
1. Bespreek het ontstaan van laterale plaat mesoderm uit de epiblastcellen. Waar bevindt het zich na week 4? Welke structuren vormt het?
2. Bespreek de embryonale ontwikkeling van het secundaire palatum
3. Bespreek de algemene opbouw van kieuwbogen. Bespreek 1e kieuwboog, 2e kieuwzakje en 3e kieuwspleet.

Bijvragen:
1. Duurt de overgang van metafase 2 naar anafase 2 even lang bij oogenese als spermatogenese?
2. Zet in chronologische volgorde: ICM, amnion holte, primitieve dooierzak, definitieve dooierzak, syncitiotrofoblast en chorionholte.
3. Welke nummer heeft de zenuw n hypoglossus en wat bezenuwt het?
4. Stamboom en dan zeggen of het dominant, recessief, x-gebonden, … is
5. Bespreek de opeenvolgende gebeurtenissen van het sluiten vd neurale buis

2012

HOOFDVRAGEN:
1 Bespreek de primaire neurulatie
2 Bespreek de ontwikkeling en bezenuwing van de tong
3 Bespreek de ontwikkeling van het aangezicht (te beginnen vanaf platte embryonale
schijf)

KORTE VRAGEN:
1 Tekening gegeven en daarop 2 dingen (ductus mesonefricus en paramesonefricus)
aanduiden en zeggen uit welke kiemlaag gevormd
2 Juist/fout: De 3 gehoorbeentjes ontwikkelen uit kieuwboog (of kieuwzak, ben het al
vergeten) 1, 2 en 3.
3 Corrigeer indien fout: De embryoblast vormt hypoblast, epiblast en trofoblast.
4 Vul aan: Een monochorionische, diamniotische tweeling ontstaat door de splitsing
van…

corrigeer indien fout: het splanchisch en somatisch mesoderm vormen de amnionholte na vouwing(iets in die aard). het antwoord moest dan intraembryonaal coeloom zijn.

Het endoderm ontstaat uit de hypoblast( was fout ! want da wordt dus vervangen)

3 hoofdvragen:

1. bespreek de transversale kromming (met tekeningen)
2. vorming van de neusholte
3. bespreek 2de kieuwboog, -zakje en kieuwspleet

bijvragen:

1. komt het fenotype bij autosomaal dominant altijd in elke generatie voor?
2. zijn de somieten afkomstig van het sclerotoom?
3. bij oogenese: bij een primaire oocyt worden 4 def oocyten gevormd: juist of fout
4. van waar spreken we van ectoderm?
5. behoudt de ductus mesonefricus zijn functie zowel bij mannen als vrouwen?

Hoofdvragen

1. Bespreek het laterale plaat mesoderm. Hoe wordt het gevormd vanaf de epiblastcellen? Wat wordt er uit gevormd?
2. Bespreek de structuur van 1ste kieuwboog, zakje en spleet en welke structuren worden eruit gevormd?
3. Bespreek klokfase en appositiefase van de melktand.

Korte vragen

1. Tekening van stamboom: Dominant, recessief, X-gebonden afwijking?
2. Wat is de nervus hypoglossus?
3. Juist/fout: de transistiefase tussen metafase II en anafase II is bij oogenese en spermatogenese evenlang.
4. Juist/fout: Primair palatum wordt gevormd uit processus maxilaris.
5. Orden chronologisch: Ontstaan van: syncytiotrofoblasten – primaire dooierzak – definitieve dooierzak – amnionholte – chorionholte – inner mass cellen – blastomeren
6. Chronologische volgorde van sluiten van neurale buis. Welke cellen worden er gevormd?

vorige jaren

– geef een stamboom van 3 generaties van een autosomaal recessief overgeerfde erfelijke aandoening + bijvragen: geef een voorbeeld & geef de 2 redenen waarom dit kan
– bespreek de dooierzak
– bespreek de processus maxillaris
– bespreek de weg van de bevruchte eicel tot blastula
– bespreek kort het ontstaan van de derde kiemlaag
– schets kort het ontstaan van de neus
– welke soorten tweelingen zwangerschappen kent u
– bespreek het dermatoom
– welke structuren ontstaan uit de tandpapil
– hoe kan chromosomale trisomie ontstaan
– bespreek de dooierzak
– bespreek de ontwikkeling van de tandwortel
– vergelijk IVF met natuurlijke bevruchting
– bespreek vorming van somieten
– bespreek vorming van gehoorgang
– bespreek de prechordale plaat
– wat is de copula bij de ontwikkeling van de tong
– bespreek het blastulastadium
– bespreek de evolutie van de bevruchte eicel tot en met de blastula
– wat is de neurale plooi
– welke structuren ontstaan uit de tandpapil
– teken ontwikkeling van de neus
– 2de week van de ontwikkeling
– beschrijf ontstaan van neurale groeve & neurale buis
– verschillen tussen spermatogenes en oogenese
– wat is het scerotoom
– bespreek de membrana buccopharyngea
– wat zijn embryonale stamcellen
– geef het ontstaan van de tong
– bespreek het primitieve palatum
– verklaar tripoloidie
– bespreek EEM
– bespreek de rol van neuromesoderm in de ontwikkeling van de tand

2014

1. Welke structuren lopen door de sinus cavernosus, centraal/lateraal
2.welke spieren hechten aan de maxilla: origo, insertio, zenuw en functie
3.juist/fout vragen met giscorrectie
4. de structuren rondom het ruggenmerg die zenuwen en gangliarondom benoemen
5. geef alle spieren die nodig zijn voor inspiratie en expiratie: origo, insertio functie
6. arteries die het abdomen bevloeien t.e.m. het ligamentum inguinale
osteologie: foto’s en benoemen

2013

2. Bespreek de takken van de a. maxillaris.
3. Omcirkel het correcte antwoord (juist/fout)

A. De volgende uitspraken zijn juist over de sinus cavernosus
a. is gelegen op het os sphenoideale Juist / Fout
b. is gelegen boven de hypofyse Juist / Fout
c. ligt posterieur tov de fissura orbitalis superior Juist / Fout
d. de maxillaire tak van de nervus trigeminus loopt hierdoor Juist / Fout
e. de nervus trochlearis loopt hierdoor Juist / Fout

B. De structuren die doorheen het foramen magnum lopen zijn:
a. nervus vagus Juist / Fout
b. nervus accesorius Juist / Fout
c. arteria vertebralis Juist / Fout
d. nervus glossopharyngeus Juist / Fout

C. De nervus glossopharyngeus
a. geeft gevoelsbezenuwing aan posterieure derde van de tong Juist / Fout
b. geeft motorische bezenuwing van pharynx Juist / Fout
c. geeft sensorische bezenuwing middenoor Juist / Fout

D. zenuwen die in de laterale wand van de sinus cavernosus lopen
a. nervus opthalmicus Juist / Fout
b. zesde craniale zenuw Juist / Fout
c. anterieure nervus etmoidalis Juist / Fout
d. nervus opticus Juist / Fout
e. derde craniale zenuw Juist / Fout

E. De m. buccinator
a. is aangehecht aan beide kaken thv. de molaren Juist / Fout
b. wordt bezenuwd door de nervus facialis Juist / Fout
c. is een kauwspier Juist / Fout
d. hecht aan aan de raphe pterygomandibularis Juist / Fout

2. Bespreek de arteriële bevloeiing van de arm startende vanuit het hart
3. Geef elk van de volgende zenuwen :
– welke structuren ze bezenuwen
– hoe ze de structuur bezenuwen (sensorisch, motorisch)
– van welke zenuw/structuur ze een aftakking zijn

N. fibularis communis
N. auricularis magnus
Ansa cervicalis
N. musculocutaneus
N. ulnaris
N. ilioinguinalis
N. saphenus

2014

1. Welke structuur bevindt zich niet in de I band
a) troponineb) myosinec) actine

2. Afbeelding van 5b van slide 41 tanden (ameloblasten) : zeggen welke fase dit is
a) beschermende fase
b) vroeg secretiefase

3. Afbeelding van sereuze acini
a) cel met veel RER
b) aggregaat van myoepitheelcellen

4. Afbeelding grote speekselkier
a) produceert 5 procent speekse
b) gelegen aan bilateraal mandibulair
c) lozingsgangen monden rechtstreeks uit in mondholte
d) produceert vnl dik, muceus secreet

–> bij deze foto stond er nog een andere vraag met nog een andere cel aangeduid als Z(heel donker)
maar weet niet welke cel dit is en enkele van de antwoorden was
a) Z heeft een sterk ontwikkeld RER

5. Slide 7 mondholte
a) kauwmucosa
b) afgelijnde mucosa

6. Afbeelding Granulopoiese: zeggen welke de tweede is
a) promyelocyt
b) myeloblast
c) myelocyt
d) metamyelocyt

7. Welke cellen en matrix bevat de pulpa?

8. Wat is het verschil tussen endocytose van LDL (low density lipoprotein) en fagocytose van verouderde cel?
a) door clathrine omgeven membranen
b) hydrolasen vereist
c) gelinkt aan lysomaal systeem
d) gebruik van membraanvesikels

9. B-cel zorgt voor:
a) cellyse
b) productie cytokine
c) wordt gestimuleerd door T-lymfocyt
d) alle bovenstaande antwoorden zijn juist

11. De motorische bezenuwing van de tong
– n. hypoglossus

12. Welke functie/element van speeksel is het belangrijkse om caries te voorkomen
– Lysosyme (bacteriële rol)

13. Wat is niet waar ivm de odontogenese
a) ameloblasten ontrekken water van .. in de maturatiefase
b) odontoblasten zijn verbonden door gapjuncties
c) de epitheelcellen van het glazuurepitheel zijn onderling verbonden door desmosomen
d)

14. kind van 14 maanden komt bij afdeling kindertandheelkunde met ronde kronen, waarvan stukjes afbrokkelen, een grote pupaholte, kleine wortels en het dentine bevat tubuli die ver uit elkaar liggen, on-geörienteerd zijn en grote vaatruimten bevat. wat kan je zeggen over de zone van het dentine?
a) de zone lijkt op bot en geproduceerd door cellen die lijken op osteblasten
b) de zone wordt geresorbeerd door dezelfde cellen die de matrix produceren
c) de zone bevat bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
d)de zone wordt afgezet door cellen die afkomstig zijn van mesenchymale oorsprong

15. laatste afbeelding slides parodontium, structuren 1, 2 en 5 benoemen. Aanduiding van apicale groep en schuine groep van periodontaal ligament en het transversaal septa van de gingiva

17. Wat is niet waar over periodontium
a) de cementocyten zijn verbonden door canaliculi
b) het niet-vezelige cement bevat glazuureiwitten
c) het periodontaal ligament bevat collageen en elastine

18. hematopoeise in de foetale 7e-9e maand gebeurt in
a) lever
b) milt
c) beenmerg
d) thymus

19. foto van een monocyt

20. foto van ruggenmerg; witte en grijze stof. Aanduiding van de witte stof.
a) deze structuur bevat collageenvezels
b) deze structuur ligt in de achterste hoorn van het ruggenmerg
c) op de doorsnede zijn capillairen te zien
d) op de doorsnede is een synaps duidelijk te zien

21. In de I band vindt men geen:
a) actine
b) tropomyosine
c) troponine
d) myosine

22. foto van hartspierweefsel. Wat is er niet correct?
a) deze structuur is gekenmerkt door een goed ontwikkeld triadesysteem
b) deze structuur bevat gap-junctions

23. Gewrichtskraakbeen is niet omgeven door periochondrium

24. de foto van de intercallaire schijf van hartspierweefsel. Met welke microscoop is deze foto getrokken?
a) lichtmicroscopisch
b) fluorescentiemicroscoop
c) TEM
d) SEM

25. Voor fixatie van een preparaat voor elektronenmicroscopie, heb je glutaaraldehyde nodig.

26. foto van papillae circumvallatae Deze structuur komt voor:
a) op de laterale zijkant van de tong
b) net voor de sulcus terminalis
c) op het anterieure 2/3e van de tong

27. De krausselichaampjes zorgen voor koude gevoeligheid

28. Foto van de thymus met 4 structuren aangeduid. Welke uitspraak is er juist?
a) de medullaire epitheelcellen zorgen voor een negatieve selectie
b) de T-lymfocyten (?) bevatten een Tcel-receptor
c)

29. foto van een type kraakbeen (hyalijn, vezelig of elastisch, ik heb geen idee welke van de 3 het was). Dit kan men terugvinden in
a) de epiglottis
b) de meniscus
c) tussenwervelschijven
d) respiratoire tractus

30. foto, wat zie je?
a) kauwmucosa (precies de foto van in de cursus)

31. tekening ameloblast
a) maturerende ameloblast
b) beginnende ameloblast
c) beschermende ameloblast(?)
d) ?

32. welke uitspraken zijn waar over de parotis
a) secreteert meeste volume speeksel
b) heeft de best ontwikkelde gestreepte kanalen (ik heb dit genomen omda ik dacht dat dat voor sereuze klieren zo was maar ben nt zeker!)
c)?
d)?

33. Welke uitspraken zijn waar over het periodontaal ligament
a) bevat collageen en elastische vezels (enige antwoordmogelijkheid dat ik nog weet omdat ik die genomen heb maar weet niet of ze juist is)

2013

1. Volgorde bereiding histochemisch preparaat.
– Fixatie-Inbedden-Snijden-Kleuren-Afdekken.
2. Welke uitspraak over celorganellen is juist?
– Golgi systeem verpakt eiwitten en transporteert ze in vesikels
3. Welke uitspraak is juist?
– Claudine bepaalt doorgankelijkheid van macromoleculen in tight junctions
– Gap junctions zorgen voor de onderlinge communicatie van cellen via transport van eiwitten
– De adherenes verbinding is een verbinding tussen cadherines en actines
4. Fibronectine, wat is niet juist?
– Fibronectine is een vezelvormend proteoglycaan
– Fibronectine is een vrij plasma eiwit
5. Waar bevindt zich elastisch kraakbeen.
– Epiglottis
– Wanden van de luchtwegen
– Schildklier
6. Basofiele granulocyten komen voor in…
– Bloed
– Lymfe
– Cerebrospinaalvocht
7. Genmuatie in gen dat codeert voor erythropoietine tussen 5e en 9e embryonale
levensmaand. Waar zal dit vooral te merken zijn?
– Lever
– Beenmerg
– Dooierzak
8. Cytotoxische T-cel rijping gebeurt voornamelijk in…
– Thymus
9. Preparaat met PAS-kleuring ivm imunohistochemie (denk ik). Wat is niet juist?
– Antistof met een gebonden enzym wordt gebruikt
– Deze kleuring wordt gebruikt om specifieke eiwitten aan te duiden.
– Wordt gebruikt alleen bij vriescoupe
10. Preparaat van een sarcomeer, I-band is aangeduid (ook andere structuren maar deze vraag ging over de I-band). Wat is juist?
– Dikke en dunne filamenten overlappen elkaar hier niet
– Actinefilamenten zitten hier verankerd.
11. Preparaat van neutrofiele granulocyten. Wat is juist?
– Ruimen bacterien op
– Kleinste van de witte bloedcellen
– Hebben een kristalstructuur in hun granulen
12. Alle cellen van de granulopoiese. Eerste van de reeks is aangeduid. Welke cel is dit?
– Myeloblast
– Metamyelocyt
– Promyeloblast
– Myelocyrt
13. Preparaat van de hersenen. Enkele structuren aangeduid. De gevraagde pijl wijst naar de subarachnoidale ruimte (denk ik). Wat is juist?
– Hier bevindt cerebrospinaalvocht
14. Preparaat van de lymfklier. Aantal pijlen (Subcapsulaire sinus-kiemcentrum-medullaire sinus en nog iets). Wat is niet juist?
15. Preparaat van kraakbeen. 3 pijlen (Perichondrium-chondroblasten-matrix) Wat is juist?
16. Kauwmucosa. Wat is de juiste volgorde van de lagen?
– Stratum corneum-stratum lucidum-stratum granulosum-stratum spinosum-lamina basalis
– Stratum corneum-stratum lucidum-stratum granulosum-stratum spinosum-stratum basale
17. Iemand heeft een issue met zn gestreepte kanalen. Welk ion zal hier de meeste problemen mee hebben?
– Na+
– K+
– Cl-
– HCO3-
18. Welke van de volgende structuren vormt de bulk van de tand?
– Glazuur
– Dentine
– Gingiva
– Cement
19. Vraag over intermediar cement: waaruit bestaat het
– reticulair collageen
– glazureiwitten
– cementocyten
20. Preparaat van een grote speekselkier. Sereuze acini zijn aangeduid. Welke uitspraak is juist?
– Deze structuur heeft een sterk ontwikkeld RER
21. Preparaat van een grote speekselklier. Wat is juist?
– De afvoerkanalen van deze klier monden rechtstreeks uit in de mondbodem
– Deze klier is bilateraal en bevindt zich submandibulair
– Het secreet van deze klier is sterk viskeus
– productie 5% van speeksel
22. persoon heeft piercing in voorste 2/3 van de tong en de smaakpapillen zijn beschadigd, welke zenuw is kapot?
– nervus facialis (VII)
23. kind van 14 maanden komt bij afdeling kindertandheelkunde met ronde kronen, waarvan stukjes afbrokkelen, een grote pupaholte, kleine wortels en het dentine bevat tubuli die ver uit elkaar liggen, on-geörienteerd zijn en grote vaatruimten bevat. wat kan je zeggen over de zone van het dentine?
– de zone lijkt op bot en geproduceerd door cellen die lijken op osteblasten
– de zone wordt geresorbeerd door dezelfde cellen die de matrix produceren
– de zone bevat bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
– de zone wordt afgezet door cellen die afkomstig zijn van mesenchymale oorsprong
24. het epitheel van mucosa bevat geen:
– melanocyten
– langerhanscellen
– plasmacellen
– merkelcellen
25. preparaat dia 24 van deel parodontium: wat is F?
– cement

vorige jaren

Vraag:

– Bespreek de bloedvoorziening in het algemeen.
– Bespreek de prostaat.
– Bespreek het leverparenchym.
– Bespreek structuur en functie alveolaire parenchym
– Bespreek de galblaas
– Bespreek de neus en paranasale holten
– Bespreek het nefron.
– Bespreek de bloedvoorziening van de lever.
– Bespreek de maag aan de hand van de functie
– Bespreek de gewrichten
– Bespreek de hepatocyt
– Bespreek de bezenuwing en controlemechanismen van dwarsgestreepte spier
– Bespreek de cellen van het bot
– Bespreek de hypofyse
– Bespreek de exocriene pancreas
– Bespreek de cervix
– Bespreek de kleppen van het hart
– Bespreek de schildklier
– Bespreek de bloedvoorziening van de nier

Preparaat:

– Dunne darm
– Long
– Bijnier
– Hart
– bijschildklier
– Schildklier
– Slokdarm
– Aorta
– Maag
– Colon

beschrijf:

– Cytoplasma
– RBC
– ECM
– Hemopoese
– Bloedcellen
– Lymfocyt
– Cytoskelet
– MALT
– Weiknoop
– amandelen
– functie vd thymus, structuur
– bloedplaatjes en megakaryocyt
– milt
– permanente celcontacten
– celkern
– witte bloedcellen adhv hun nucleaire kenmerken

Oral histo, beschrijf:

– Beschrijf pulpaholte
– Speeksel
– Cement
– Lozingsgangen van speekselklieren
– Knopfase
– Tong
– Pocket mucosa
– Dentinogenese
– Alveolair bot
– geef de tongpapillen
– knop, kap en klokfase van de tandontwikkeling
– opbouw vd speekselkier
– amelogenese
– histologie van primair dentine
– primair, secundair en tertiair dentine
– embryologische ontwikkeling en structuur van glazuur, dentine en cement
– kroonfase en wortelfase vd ontwikkeling vd tand
– vergelijk embryologische ontwikkeling van glazuur, dentine en cement

preparaten:

– bloed
– epiglottis
– speekselklier
– perifeer bloed
– foetaal beentje
– zenuw
– lymfeklier met follikels
– amandel

2015

Moleculaire Biologie

*definities: grote groeve DNA, ddATP, consensussequentie, activatiedomein, promotor, ORI, base excision repair, tetracycline, transpositie, nucleosoom
* Bespreek genetische variatie bij de mens en de gevolgen voor de geneeskunde (geninactivatie, genduplicatie, exonshuffling, cytochroom P450s variatie) (grote vraag, 2 pagina’s)
* Bespreek tRNA (1 pagina)

3 grote vragen:

1)    Vraag over chymotrypsine

2)    Base-excision repair

3)    Leg mRNA uit en de alle elementen dat tusse 5’-3’ liggen.

 

Termen:

Histonstaart

Heterochromatine

Serine protease

Replicatie

Translatie

SNP

cAMP

Biochemie


*Bespreek de 3 belangrijkste soorten inhibitie. + grafieken tekenen (2 pagina’s)
* Wat is fermentatie bij micro-organismen en zoogdieren? leg het verschil uit. (2 pagina’s)
* Hoe regelen cyclines en cdk’s de celcyclus? (2 pagina’s)
* Wat zijn peptidoglycanen? wat is hun medisch belang? (halve pagina)
* Hoe komt het dat als je nuchter bent de lever niet alle glucose ‘afneemt’ van de hersenen? (halve pagina)
*Wat is bcl-2? (halve pagina)
* Bespreek de structuur van collageen (halve pagina)
*Wat is ubiquinone? (halve pagina)

3 grote vragen:

1)    Rb-eiwit en link met kanker

2)    Complexen waar elektronen doorgaan en hoe kan je afleiden  hoeveel ATP gemaakt wordt door NADH of FADH2.

3)    Enzymatische regeling

 

5 kleine vragen:

CO in de lucht, waarom oppassen

Ubiquitine uitleggen

Wat zijn checkpoints in de celcyclus

G-Proteinen

Is Ramachandram-diagram praktisch of theoretisch.

 

2013

MOLECULAIRE BIOLOGIE
1. Bij welk proces gebeurt er geen dubbelstrengsbreuk van DNA?
a.gammastralen
b.topoisomerase 2
c. exonuclease

2. Wat is een restrictiemap?
a. sequenties waar restrictie-enzymen knippen
b. positie van restrictie-plaatsen aangeduid op DNA-fragment

3. Waarop heeft Novobiocine effect?
a. topoisomerase

4. Structuur dGMP
5. Structuur Guanine
6. Structuur IMP
7. Structuur AMP
8. Structuur Thymine

9. Hoe noemen we het proces dat bij het Lac operon optreedt bij een glucosetekort?
a. activering
b. attenuatie
c. repressie
d. de-repressie

10. Verschil RNA en DNA?
a. Ribose een suiker is en deoxyribose niet
b. Deoxyribose een –OH groep draagt op positie 2′
c. De adenine base enkel in DNA voorkomt
d. RNA uracil bevat ipv thymine

11. Wat is de betekenis van alternatieve splicing?
a. 1 gen kan coderen voor meerdere eiwitten
b. meerdere genen coderen voor 1 eiwit
c. expressie wordt geregeld ter hoogte van de transcriptie

12. Wat is een eigenschap van heterochromatine?
a. dna kan niet overgeschreven worden
b. dna kan wel overgeschreven worden

13. Structuur van een deoxyribonucleotide. Voor wat kan dit niet als substraat dienen?
a. RNA-polymerase
b.reverse trancriptase
c.DNA-polymerase
d.telomerase
14. Een vraag over een kweek E.Coli. E. Coli wordt in cultuur gegroeid met N15. Een andere kolonie wordt in een andere cultuur gezet. Welke?
Je krijgt een afbeelding van beide situaties in centrifuge geplaatst en de UV absorptie van de bandjes die verschenen. De eerste situatie vertoonde een lager gelegen sedimentatiebandje en 1 piek van absorptie. De tweede situatie vertoonde een hoger gelegen sedimentatiebandje en een intermediair bandje. Er waren hier 2 pieken van absorptie die van het hoogstgelegen bandje hoger dan die van het intermediare.
a. De kolonie wordt eerst in een N15 gezet waarna 5 minuten in een N14
b. De kolonie wordt eerst in een N15 gezet waarna 1 uur in een N14

15. Zet in juiste volgorde ( helicase, primase, ligase, DNA polymerase, ..)

16. Waaruit bestaat een enhancer?
a. 1 basepaar
b. 1 aminozuur
c. 100 – 150 baseparen
d. 100 – 150 aminozuren

17. Welk van de volgende eigenschappen is geen probleem als we eukaryoot materiaal in prokaryoten willen brengen?
a.ze verschillen in genetische code
b.transcriptie gebeurt anders
c. translatie gebeurt anders
d. prokaryoten doen niet aan splicing

18. Welk fenomeen is verantwoordelijk voor roodvonk, botulisme en difterie?
a.transductie
b.transformatie
c.conjugatie
d.transpositie

19. Welk prentje geeft het beste weer waar de hydrofobe interacties in de leucinezipper voorkomen.

20. Hoe kan men sprinkhaanvlees detecteren in een lasagne?
a. northern blotting
b. southern blotting
c. western blotting
d. PCR

21. Wat hoort niet bij DNA-polymerase
a. semi-conservatief
b.unidirectioneel
c. semi-discontinu
d. van 5′ naar 3′

22. Welk herstelmechanisme wordt gebruikt bij UV beschadiging?
a. BER
b.NER
c. strand invasion
d. end joining

23. cDNA wordt ingevoegd in een lac operon wat is de kans dat beide leesramen in frame zijn?
a.1/2
b.1/3
c.1/6
d. 1/9

24. Wat is de functie van EF-Tu. Zie wz
a. bescherming van de aa-tRNA binding

25. Hoe wordt trypsinogeen geactiveerd?
a.via proteolyse

26. Wat is de rol van de sigmafactor van RNA-polymerase?
a. herkenning van een promotor
b. affiniteit voor DNA

27. Waarom wordt een vrouw een mozaiek organisme genoemd?
a. Het inactieve x chromosoom is van de vader
b. Het inactieven x chromosoom is van de moeder
c. Het inactieve x chromosoon kan van beide zijn
d. Geen enkel van de vorige is correct

28. Wat is/kan een transcriptiefactor niet:
a. chromatine remodelling
b.iets van die mediator

BIOCHEMIE
1. E1 ligase modificeert welk aminzouur van E2?
a. Lysine
b. Cysteïne

2. Bereken de Km en de Vmax. Gegeven: Lineweaver-Burkgrafiek.

3. Welk substraat is het meest preferentieel voor het enzym? Gegeven: Lineweaver-Burkgrafieken van 5 substraten.

4. Wat is dit? Gegeven:
a. Oleïnezuur 18:1 Δ9
b. Sfingomyeline
c. Diacylglycerol

5. Welke C bevindt zich in een peptidebinding? Gegeven: aspartaam met 5 C’s genummerd
a. 1
b. 2
c. 3
d. 4
e. 5

6. Welk enzym staat in voor substraatniveaufosforylatie.
a. Fosfoglyceraatkinase
b. Glyceraldehyde-3-fostaatdehydrogenase
c. …kinase

7. Het geheel van reacties waarbij er moleculen worden aangemaakt en dus vrije energie wordt verbruikt heet
a. Anabolisme
b. Katabolisme
c. Metabolisme

8. Wat zorgt niet voor apoptose?
a. Mutaties die de werking van p53 inactiveren
b. DNA-beschadiging
c. FAS
d. Vrijgave van enzymen van mitochondriën

9. Een goede weergave van een reactie in evenwicht is
a. ΔG = 0
b. ΔG₀ = ΔG
c. ΔG > 0
d. ΔG = 0,6 [A]/[B]

10. Wat hebben ATP, fosfoenolpyrovaat en fosfocreatine gemeenschappelijk?
a. Ze dragen hoogenergetische fosfaatbindingen
b. Ze kunnen omzetting van ADP naar ATP aandrijven
c. Ze worden gestabiliseerd door resonantie

11. Uw kotgenoot is steeds moe. Na onderzoek blijkt zijn [NAD+]/[NADH] verhouding laag te zijn en maakt hij een grote hoeveelheid lactaat aan. Wat is het probleem?
a. Er is een probleem met het transporteren van pyruvaat naar de mitochondriën
b. Hij mist een enzyme dat zorgt voor de omzetting naar pyruvaat in de glycolyse

12. Wat is geen gevolg van defect van succinaatdehhydrogenasecomplex
a. Daling fumarase
b. Daling malase
c. Stijging glyceraldehyde-3- fosfaat
d. Stijging? Ubiquinol? UbH

2014

1 a) ontologische perfectie en moraliteit bij aristoteles
B) waarom zijn gewaarwordingen storend bij hem

2 a) welke spirituele invulling geeft kierkegaard aan barmhartigheid
B) het christendom verandert het eros van de grieken zoals door socrates beschreven, hoe?

3 a) de moraliteit van haat en woede worden anders beoordeeld. het oordeelsvermogen wordt ook beinvloed, leg deze 2 punten uit
B)leg uit wat freud bedoelt met zelfstandige agressie drift
C)wat hebben depressieve toestanden te maken met deze drift

4A) leg de intellectualistische symbolen theorie uit
B)waarom heeft een foto een relikwie waarde en niet alleen een afbeeldingswaarde

2015-2016

Hoofdvraag:
Proximale caries is moeilijk om een diagnose van te maken, welke middelen helpen je daarbij? Geef telkens de selectiviteit en de beperkingen.

Bijvragen:
– Wat zijn de richtlijnen om te weten of je nu een vulling moet leggen of niet? (K. Van Landuyt)
– Airabrasion: wat is het + toepassing in de diagnostiek en therapie
(de poeders kunnen geven (Na(CO3)2 is zachter, Al2O3 is harder)
– De histologie van de glazuurlesie: de microradiografie (die 3 verschillende foto’s van radiografie kunnen geven: quinoline/water/droog) en porositeit (hoeveel mineralen er al weg zijn)
– Dag en nachtritmes en hun invloed op het cariesproces

10 foto’s
– bacteriën die in de dentinetubuli zitten
– de uitholling van de kristallen
– bij orthodontie: white spot boven de plaats waar het blokje zat + krasjes bij het wegnemen van het blokje: wat is het en was is het advies dat je aan de patient geeft?
– foto van dat artikel dat je moest opzoeken! secundaire caries bij fissuurverzegeling
– letsels cervicaal door een verkeerde occlusie: abfractie
– foto met die 3 tanden (2e PM, 1e PM, H): diagnose, stadia van de letsels en behandeling? (arrested caries, dentinecaries, bodylesie: kan nog mineraliseren)
  maiskolfstructuren, wat is het + waar en wanneer komt dat voor?
– 2 foto’s van datzelfde artikel, geen idee wat dat was: 
– een foto van een tand: voor welke behandeling is deze tand opgesteld?
– foto van iets wit met een roze vlek: met wat is dit beeld gemaakt en wat is de diagnose?

Hoofdvraag: vergelijk de klassieke diagnostische methoden met de nieuwe en geef van beide de voordelen en nadelen
Bijvraag 1: dentineovergevoeligheidstheorie
Bijvraag 2: bespreek de verschillende zones van dentine caries
Bijvraag 3: bespreek de progressie snelheid van approximale caries in relatie tot leeftijd van de patient
Bijvraag 4: Kvld: bespreek de voordelen en nadelen van restauraties
Foto 1: diagnostiseer de linguale lesie van deze molaar (46 met amalgaamvullingen occlusaal, boogvormige lesie linguaal in het midden derde en met een microcaviteit) Foto 2: TEM van een gedeeltelijk opgevulde dentine tubulus Foto 3: TEM van plaque aan cementum met actinomyces Foto 4: plakverklikker Foto 5: letsels op 11 en 12 in midden derde van de tanden (trauma)
Hoofdvraag: Bespreek de Stephan curve en alle verbanden met het cariës- en erosieproces.
Bijvragen: 1. Dimensies van glazuurkristal en de positie in prismabundel (+ vgl met dentinekristal)
2. Eigenschappen van de verschillende zones in de primaire glazuurlesie (porositeit/demineralisatie)
3. Het verband tussen RX-diagnose en kans op cavitatie
4. (KVld) In welke situaties kan je ervoor kiezen om niet alle carieus weefsel weg te nemen? Bespreek de voor- en nadelen van deze techniek.
Dia’s: 1. Foto van die tand met ontwikkelingstrauma: bespreek diagnose van de drie laesies 2. Foto van odontoblastenuitloper en periodontoblastenruimte 3. EM maïskolfstructuur 4. Foto van die tanden met multifactoriële invloeden: overmatig alcoholgebruik, roken, verscheidene ziekten 5. Laesie door orthodontische bracket Hoofdvraag: bespreek de evolutie van interproximale cariës + geef aan vanaf welk stadium je restauratief ingrijpt
Bijvraag 1: bespreek perikymata en Retziuslijnen + bijdrage tot cariësproces
Bijvraag 2: Wat wou men onderzoeken met de Vipehölm-studie? Bespreek de resultaten.
Bijvraag 3: Geef de volumepercentages per speekselklier van de totale speekseltoevoer in verschillende toestanden
Bijvraag 4: (KVL) Secundaire cariës: grafiek met stijgende letseldiepte voor stijgende gap size bij composiet & dalende letseldiepte bij glasionomeer (of omgekeerd; rare vraag…)
5 dia’s: white spot lesion/odontoblastuitlopers met periodontoblastische ruimte/plaque op cementum/evolutie van actieve naar arrested wortelcariës/orthoschade

2014

Hoofdvraag:
Proximale cariës bij molaren en premolaren: ontstaansmechanisme, progressie, diagnose, preventieve en therapeutische behandeling

Bijvragen:
1. Criteria die gebruikt worden om te beslissen of je moet vullen of niet, voor en nadelen hiervan en waarom je welke het best gebruikt
2. Air-n-go + hoe helpt deze bij cariësdiagnose
3. Histologie van 1ste graads glazuurcariës: microradiografie en porositeit
4. Dag- en nachtritmen en hun weerstand tegenover caries
5. Vergeten, kan iemand aanvullen

Foto’s (10):
1. dichtgeslipte en verwijde dentinetubuli
2. stepwise excavation
3. foto van wortelcariës: diagnose en hoe behandelen
4. foto van tand 3,4,5 die wij in de les gezien hebben met die 3 verschillende diagnoses (arrected, gedemineraliseerd en cavitatie): diagnose en behandeling
5. foto van tand met cariës aan de gingivale rand (arrested) en een groeve die gepigmenteerd was en ook cavitatie bevatte dus dan moest je zeggen da je eerst moest zien of het pigmentatie was en dit dan schoonmaken door te zandstralen bijvoorbeeld
6. foto van een tand waarbij QLF gebruikt werd: zeggen wat dit was
7. tand waar blokje op gezeten had: zeggen wat dit was en hoe behandelen
8. foto van maïskolven: naam + uitleggen
9. foto van glazuurkristallen die aangetast werden
10. vergeten

2013

Hoofdvragen

– Bespreek diagnostische methoden voor oclusale cariës.
– Bespreek diagnostische methoden voor proximale cariës.

Bijvragen

– Bespreek endogene tanderosie.
– Welke alternatieve methodes werken volgens het principe “the seal is the deal”?
– Retziuslijnen en waarom cariesbevorderend.
– Wat zijn de bufferende componenten in speeksel.
– Abfractie, wat is het, wat zijn de gevolgen.
– Hoe verandert de microflora van een caviteit als we deze dichten, zonder de bacteriën volledig te verwijderen.
– 10 Dia’s, allemaal uit de les.

Bijvraagjes:

– RX: hoeveel microsievrenIs een cone beam, een gewone rx?
– ECM, DIAGNODent: vanaf welk getal is er caries gedetecteerd?

2008

hoofdvraag:
-Bespreek de verschillende instrumenten en methoden voor het opsporen van caries (vestibulair, proximaal, occlusaal) en hun selectiviteit en beperkingen.

bijvraagjes:
-Leg de Stephan’s curve uit en welke gevolgen heeft dit
-Bespreek Carisolv
-Speekselsamenstelling in functie tot het debiet
-Vitaminendeficientie en hun relatie tot het cariesgebeuren
-Bespreek Vipeholm

dia’s:
-foto van tandplaque gekleurd met erythrosine, bespreek en waarom doet men dit
-foto van maiskolfstructuren: wat zijn dit, waar komt het voor
-foto van EM-opname van glazuuroppervlak, bespreek wat erop staat (retziuslijnen, dag-nachtpatroon…)
-foto van wortelcaries: wat is het en hoe behandel je het
-foto van erosie: wat is het en hoe behandel je het, welke maatregelen moeten preventief genomen worden

vorige jaren

-Wat is de invloed van speeksel op caries?
-Wat is het gewichtsprocent, volumeprocent van dentine en glazuur?
-Wat zijn retsiuslijnen, perikymata,cuticula, pellicula?
-Op welke wijze ga je bacterien in de tand te lijf?
-Is de cariestriade nog een moderne weergave van schakelfactoren?
-Verklaar de Stephans curve. En wat kan hieruit besluiten?
-Geef het correlatie tussen een histologisch , microradiografisch en RX- bite-wing beeld, voor caries tot in het glazuur en caries tot in het dentine.
-Zouden we caries kunnen uitroeien door bv modificatie van en/of vaccinatie tegen streptococcus mutans? Geef de voor- en de nadelen.
-waarom is de samenstelling van de plaque ter hoogte van de wortel en het tandoppervlak anders na 48u?
-met welke middelen kan ik de fissuurcaries met grote betrouwbaarheid diagnosticeren? En vergelijk volgende manieren
-Van welke variabelen hangt het hechtingsmechanisme van cariogene bacterien af en hoe kan je die beinvloeden?
-Streptococcus mutans, waarom wordt dit micro-organisme gedoodverfd als ‘de’ cariesbacterie? Hoe met dit gegeven klinisch omspringen?
-veranderingen in bacteriele plaque en zijn weerslag op cariesontwikkeling.
-Wat zijn de PH-beinvloedende processen?
-beschrijf het primair 1ste letsel in glazuur.
-waarom is glazuur denser na initiele caries?
-Geef de verschillende zones in dentinecaries.
-Wat is de reactie van odontoblasten op dentinecaries?
-Geef de verschillende mogelijke oorzaken van tandbeschadiging.
-Tongschrapen in relatie tot caries, voor- en nadelen.
Immunisatie: zin of onzin in de aanpak van caries?

Geef de overleving van tandweefsel weer in functie van pathologie en restauratieve aanpak.
Nadelen en voordelen van tongschrapen ?
Wortelcaries: etiologie, voorkomen, pathologie, microbiologie, diagnose, rontgen, preventie en behandeling
Vitaminen

2015-2016

1. Manieren om te testen of voedsel cariogeen is of niet
2. Bradford hill criteria
3. Waarom hangt erosie af van het soort zuur
4. in tandpasta’s met fluoride; welke verschillen heb je daarin
5. Verschil tussen suikervervangers en zoetstoffen

1. Bespreek het dualistisch karakter van de dentale biofilm
2. Tot welke groep suikervervangers behoort sorbitol? Geef eigenschappen mbt cariogeniteit + specifieke (tegen)indicaties 
3. Werkingsmechanisme van fluoride
4. Bespreek de begrippen prevalentie en incidentie. Kunnen deze parameters negatief zijn?
5. Moedermelk speelt een belangrijke rol in de voeding van jonge kinderen. Rol in tandbederf? Specifieke aanbevelingen in de praktijk

1. Primaire primaire preventie en voorbeelden
2. CHX om caries te bestrijden?
3. Waarom we best met tandpasta poetsen, 
4. De plaque- inhiberende mondspoeling
5. Chronische intoxicatie van fluor

1. Het lokale effect van systemische f supplementen
2. Wat werd er onderzocht bij de Grand Rapids studie, wat waren de conclusies en de maatregelen
3. Alcohol in mondspoeling
4. De verschillende soorten fluoride verbindingen in tandpasta met voordelen en nadelen

1. Ijsbergfenomeen
2. Verticale en horizontale transmissie. Verband met preventie?

3. Verschillende manieren voor interdentale reiniging, welke is het best?
4. Tandpasta en aften, advies aan patiënt?
5. Bronnen voor inname van fluoride. Advies naar patiënt toe

1. Primaire preventie uitleggen en 3 concrete voorbeelden geven
2. Invloed van fluoridegebruik bij de prevalentie van cariës en je antwoord motiveren
3. Manuele en elektrische tandenborstel voor- en nadelen
4. Duale rol van plaque bij mondaandoeningen
5. De weg die fluoride aflegt in het menselijk lichaam en welke implicaties dit heeft op je advies.

Kort bespreken:
– Recall bias
– alfa-amylase
– enolase
– strontiumchloride
– GERD

– CAMBRA
– Fee for service
– Third hand smoking
– polarisatiefenomeen
– fluoride bom
– gantrez
– climax community
– grand vichy (ook: wat zijn de regels van labeling bij waterflessen omtrent fluoride gehalte)
– triclosan
– RDA-waarde
– Texas Teeth
– common risk factor pathway.
– miswak
– NLS
– MIPaste
– xylitol

– passief roken
– motivational interviewing
– sojamelk
– ecologische cariësbestrijding

2014

1. Wat is primaire preventie, geef minimaal 3 voorbeelden.
2. Wat is het effect van fluorgebruik op het rapporteren van de prevalentie van caries.
3. Vergelijk de elektrische met de manuele tandenborstel. Voor- en nadelen.
4. Wat is motivational interviewing?
5. Wat is de weg van fluoride in het menselijk lichaam na inname, wat is de impact op vlak van de preventieve adviezen?
6. Begrippen:
A. Common risk factor approach
B. Triclosan
C. RDA-waarde
D. Texas teeth

1. Wat is het polarisatiefenomeen en hoe is dit ontstaan?
2. Chloorhexidine kan worden gebruikt om hoge cariësgevoeligheid aan te pakken. Bespreek hoe en waarom.
3. Geniet elektrisch poetsen de voorkeur boven manueel poetsen? Vergelijk elektrisch poetsen met manueel poetsen.
4. Bespreek de verschillende vormen van fluoride die in tandpasta voorkomen, met hun voordelen en nadelen.
5. Wat zou je aanraden bij de behandeling van een patiënt met orthodontie?
6. Bespreek de volgende begrippen:
a. Common risk factor approach
b. Triclosan
c. RDA
d. Texas teeth

2013

Vraag 1: Wat is een polarisatiefenomeen en hoe is dit gekomen?
Vraag 2: Verklaar ‘window of infectivity’ met enkele voorbeelden, geef klinische gevolgen
Vraag 3: Geef het verband tussen fluorconcentratie en cariësremming in tandpasta
Vraag 4: Alcohol in het mondspoelmiddel
Vraag 5: Verklaar bondig te volgende begrippen:

common risk factors
miswak
RDA
Pompelmoes

1) Welke niveau’s kunnen onderscheiden worden binnen de preventieve gezondheidszorg? Benoem ze, geef de onderlinge verschillen aan en illustreer met praktische voorbeelden.2) Chloorhexidine kan benut worden in de aanpak van een hoge cariesgevoeligheid, hoe gaat men daarbij praktisch te werk?
3) Wat is het verband tussen tandpastagebruik en het optreden van aften?
4) Waarin verschillen kindertandpasta’s van klassieke pasta’s?
5) Bondig verklaren: passief roken, verticale transmissie, motivational interviewing, zuigflescaries

1) Bespreek het ijsbergfenomeem,..
2) Bespreek kolonisatieresistentie, welke impact in de mondgezondheid?
3) Welke ingredienten in tandpasta tegen bestrijding van tandsteen?
4) Klassieke tandpasta en CHX-spoelmiddel. Interferentie? Impact?
5) Verklaar bondig: primaire primaire preventie, cariesbalans, cervitec, sanguinaria

1) Hoe wordt fluor opgenomen in het lichaam en welke gevaren zijn er aan verbonden.2) Tandpasta en homeopathie (zeer korte vraag)3) Hoe kan iemand met een slechte mondhygiëne toch weinig cariës hebben.4) Waarom spreken we van verticale transmissie bij cariëspreventie voor kinderen.5) Veklaar bondig: Polarisatiefenomeen, Ecologische cariëspreventie, Texas teeth, Ozon

2008

-persoon komt voor nazicht, amper plaque toch erg caries gevoelig(bestraling-> geen speeksel, rest improviseren)
-chronische tox F
-invloed borstvoeding op mond gezondheid
-adviezen aan ouders voor petotter van 2
-grafiekske DMFT geïndustrialiseerde landen en 3 wereld

1) Verklaar hoe een persoon met veel accumulatie van plaque toch cariësvrij kan zijn.
2) Verschillende tandpasta’s hebben een verschillende hoeveelheid fluoride.
-welke verschillen bestaan er
-wanneer worden ze aangeraden
3) Geef de voor- en nadelen van drinkwaterfluoridering
4) Wat is Cervitec?
5) Kaartje van verschillende graad van aantasting in vlaanderen, bespreek