2016-2017

1.            Bij welke structuur is het voorkomen van een keratinelaag abnormaal?

a.            Gingiva

b.            Tong

c.            Palatum durum

d.            Palatum molle

 

2.            Bij een patiënt zien we in de buccale mucosa van de mondhoeken kleine gele stipjes. Wat zijn dit?

a.            Accessoire speekselkliertjes

b.            Smaakpapillen

c.            Fordyce spots

d.            ?

 

3.            Oriëntatie van de glazuurprisma’s

a.            Parallel met het glazuuroppervlak

b.            Loodrecht op de glazuur – dentinejunctie

c.            Parallel met het dentine oppervlak

d.            willekeurig

 

4.            Wat is de functie van de zenuwplexus in de pulpa?

a.            cementgevoeligheid –  vasodilatatie – ?

b.            dentinegevoeligheid – pijn – vascularisatie controle

c.            pijn – proprioceptie – vascularisatie controle

d.            smaak – proprioceptie – vasodilatatie

 

5.            Wat is de embryonale oorsprong van de gemineraliseerde tandweefsels?

a.            Ectoderm

b.            Ectoderm en mesoderm

c.            Endoderm

d.            Mesoderm

 

6.            Welke stelling over intermediair cement klopt?

a.            Het bestaat uit glazuureiwitten

b.            Het wordt aangemaakt door de fibroblasten van het PDL

c.            ?

d.            ?

 

7.            Welke stelling over de parotisklier klopt NIET?

a.            Het bevat sereuze halve maantjes structuren

b.            De ductus van Stensen mondt uit thv de 2e bovenmolaar

c.            Parotisklier is volledig sereus

d.            ?

 

8.            Welke stelling over de odontogenese klopt NIET?

a.            Secundair dentine bevat odontoblastuitlopers

b.            Primair dentine wordt het hele leven nog aangemaakt

c.            ?

d.            ?

 

9.            ??? vraag over cementum

a.            Cementum wordt gevormd uit het uitwendig glazuurepitheel

b.            Cementum wordt gevormd door het inwendig glazuurepitheel

c.            ?

d.            ?

 

10.          Welk verschil tussen sereuze en muceuze klieren is waar?

a.            Sereuze klieren bevatten secretoire granules, muceuze hebben bleker aspect

b.            Muceuze zijn rond, en sereuze zijn ovaal

c.            Muceuze zijn waterig en sereuze zijn viskeus

d.            Muceuze hebben een ronde kern en sereuze een platte.

 

FOTO – DEEL

 

11.          Een 17-jarige heeft piercing in voorste 2/3 van de tong. Daarbij zijn de cellen die te zien zijn op de foto beschadigd, welke zenuw is kapot?

a.            N. V

b.            N. VII

c.            N. IX

d.            N. XII

 

12.          Waar op de tong bevinden zich de papillen van op de foto?

a.            Anterieure 2/3

b.            Posterieure 2/3

c.            Laterale midden

d.            Vlak voor sulcus terminalis

 

13.          Hoe past deze cel de samenstelling van het speeksel aan?

a.            Elektrolyten concentratie verminderd

b.            Immunoglobulines worden opgenomen

c.            ?

d.            ?

 

14.          Wat stellen de lijnen op het oppervlak van deze tanden voor?

a.            Glazuurlamellen

b.            Retziuslijnen

c.            Tetracyclinelijnen

d.            Extra gemineraliseerd

 

15.          Welke structuur is aangegeven?

a.            Cementpartikel

b.            Interstitiële ruimte

c.            bloedvat

d.            ?

 

16.          Welk gemineraliseerd weefsel kan niet meer regenereren?

a.            Glazuur

b.            Dentine

c.            Cement

d.            Alveolair bot

 

17.          Wat kan men zeggen over de structuur aangeduid door nummer 1?

a.            Het is meer gemineraliseerd dan circumpulpaal dentine

b.            Het is het eerst gevormde dentine

c.            Komt enkel voor in de kroon

d.            ?

 

18.          Wat is er aanwezig in zone D?

a.            Collageen

b.            fibroblasten

c.            Zenuwplexus van Raschkow

d.            Plasmacellen

 

19.          Welke structuur is juist aangeduid?

a.            1: alveolaire kamgroep van het PDL

b.            2: dentoperiostale groep van het gingivaal ligament

c.            3: schuine kamgroep van het PDL

d.            1: alveologingivale groep van het gingivaal ligament

 

20.          Welk weefsel is dit?

a.            Plasmacellen

b.            Sereuze acini

c.            Myoepitheelcellen

d.

 

 

Vragen mondgedeelte

 

1) Wat kenmerkt het harde palatum?

A. Afwezigheid skeletspierweefsel

B. Afwezigheid vetweefsel

C. Afwezigheid speekselklieren

D. Afwezigheid submucosa

 

2) Wat is niet waar in verband met sublinguale speekselklier?

A. Mondt uit in sublinguale cuniculus.

B. bevat goed ontwikkelde intercalaire segmenten

C. Bevat slechte gestreepte kanalen

D. Predominant muceus.

 

3) Welke cellaag is noodzakelijk voor vorming glazuur, maar maakt geen glazuur?

A. Intermediair epitheel

B. Buitenste glazuurepitheel

C. Reticulair glazuurepitheel

D. Gereduceerd glazuurepitheel

 

4) Pulpa bevat?

A. cementoblasten, collageen 1, fibrocyten

B. collageen 1, fibrocyten, histiocyten, lymfocyten

C. collageen 1, histiocyten, oxytalanvezels, mesenchymcellen

D. odontoblasten, histiocyten, fibroblasten, oxytalanvezels

 

5) Periodontaal ligament

A. Bevat collageen en elastische vezels

B. Bevat geen zenuwen zodat het geen pijn doet wanneer je kauwt

C.

D.

 

6) Intermediair dentine gelegen aan

A. glazuur-dentinegrens

B. dentine-cementgrens

C. glazuur-cementgrens

D.

 

7) Manteldentine

A. sterkst gemineraliseerd dentine

B. sterker dan cement, zachter dan bot

C. Wordt alleen gevormd tijdens de kroon- en wortelfase.

D.

 

8) Mucogingivale junctie

A. tussen gingiva en alveolaire mucosa

B. tussen tand en vrije gingiva

C. tussen vrije gingiva en aangehechte gingiva

D.

 

9) Oriëntatie van de glazuurprisma’s

A. Parallel met het glazuuroppervlak

B. Loodrecht op de glazuur-dentinejunctie

D. Parallel met het dentine oppervlak

D. Willekeurig

 

10) Waar bevinden zich klieren von Ebner?

A. Palatum

B. Tong

C. Mondbodem

D. Wang

 

Deel 2)

 

11) Wat geeft onderstaande tekening weer?

A.

B. Parotis speekselklier

C. Sublinguale speekselklier

D. Submandibulaire speekselklier

 

12) Tekening kauwmucosa

A. Kauwmucosa

B. Aflijnend mucosa

D.

C.

 

13) Tekening smaakpapillen, piercing in anterieure 2/3. Welke zenuw kapot?

A. nervus trigeminus (V)

B. nervus facialis (VII)

C. nervus glossopharyngeus (IX)

D. nervus hypoglossus (XII)

 

14) Tekening van odontoblasten, celvrije zone, celrijke zone, dentine.

A. E (pulpa) bevat onder normale omstandigheden macrofagen

B. C (odontoblasten) bevat rijke hoeveelheid reservecellen

C. A (dentine) is cementum

 

15) Wat is juist?

A. Dit zijn groeilijnen.

B. Dit is een optisch fenomeen.

C. Ontstaan door dikkere kristallen.

D. Ontstaan door langere kristallen.

 

 

 

16) Welke groep is dit?

A. Alveolaire kamgroep van het periodontaal ligament.

B. Apicale groep van het periodontaal ligament.

C. Schuine groep van het periodontaal ligament.

D. … van het gingivaal ligament.

 

17) Wat is het donkerroze rechts?

A. Circumpulpaal dentine

B. Manteldentine

C. Intertubulair dentine

D. Tertiair dentine

 

20) Tekening ameloblast, in welke fase bevindt deze zich?

A. Beschermende fase

B. Vroege secretiefase

C. Late secretiefase

D. Maturatiefase

 

Vragen niet-mond gedeelte

 

1) Granulopoiese: wat is de eerste fase?

A. Promyelocyt

B. Myeloblast

C. Myelocyt

D. Metamyelocyt

 

2) Wat is het verschil tussen endocytose van LDL (low density lipoprotein) en fagocytose van verouderde cel?

A. Door clathrine omgeven membranen.

B. Hydrolasen vereist.

C. Gelinkt aan lysomaal systeem.

D. Gebruik van membraanvesikels.

 

3) Hoeveel procent van het bloed bestaat uit RBC?

A. 55%

B. 1%

C. 45%

 

2014-2015

1. Welke structuur bevindt zich niet in de I band
a) troponineb) myosinec) actine

2. Afbeelding van 5b van slide 41 tanden (ameloblasten) : zeggen welke fase dit is
a) beschermende fase
b) vroeg secretiefase

3. Afbeelding van sereuze acini
a) cel met veel RER
b) aggregaat van myoepitheelcellen

4. Afbeelding grote speekselkier
a) produceert 5 procent speekse
b) gelegen aan bilateraal mandibulair
c) lozingsgangen monden rechtstreeks uit in mondholte
d) produceert vnl dik, muceus secreet

–> bij deze foto stond er nog een andere vraag met nog een andere cel aangeduid als Z(heel donker)
maar weet niet welke cel dit is en enkele van de antwoorden was
a) Z heeft een sterk ontwikkeld RER

5. Slide 7 mondholte
a) kauwmucosa
b) afgelijnde mucosa

6. Afbeelding Granulopoiese: zeggen welke de tweede is
a) promyelocyt
b) myeloblast
c) myelocyt
d) metamyelocyt

7. Welke cellen en matrix bevat de pulpa?

8. Wat is het verschil tussen endocytose van LDL (low density lipoprotein) en fagocytose van verouderde cel?
a) door clathrine omgeven membranen
b) hydrolasen vereist
c) gelinkt aan lysomaal systeem
d) gebruik van membraanvesikels

9. B-cel zorgt voor:
a) cellyse
b) productie cytokine
c) wordt gestimuleerd door T-lymfocyt
d) alle bovenstaande antwoorden zijn juist

11. De motorische bezenuwing van de tong
– n. hypoglossus

12. Welke functie/element van speeksel is het belangrijkse om caries te voorkomen
– Lysosyme (bacteriële rol)

13. Wat is niet waar ivm de odontogenese
a) ameloblasten ontrekken water van .. in de maturatiefase
b) odontoblasten zijn verbonden door gapjuncties
c) de epitheelcellen van het glazuurepitheel zijn onderling verbonden door desmosomen
d)

14. kind van 14 maanden komt bij afdeling kindertandheelkunde met ronde kronen, waarvan stukjes afbrokkelen, een grote pupaholte, kleine wortels en het dentine bevat tubuli die ver uit elkaar liggen, on-geörienteerd zijn en grote vaatruimten bevat. wat kan je zeggen over de zone van het dentine?
a) de zone lijkt op bot en geproduceerd door cellen die lijken op osteblasten
b) de zone wordt geresorbeerd door dezelfde cellen die de matrix produceren
c) de zone bevat bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
d)de zone wordt afgezet door cellen die afkomstig zijn van mesenchymale oorsprong

15. laatste afbeelding slides parodontium, structuren 1, 2 en 5 benoemen. Aanduiding van apicale groep en schuine groep van periodontaal ligament en het transversaal septa van de gingiva

17. Wat is niet waar over periodontium
a) de cementocyten zijn verbonden door canaliculi
b) het niet-vezelige cement bevat glazuureiwitten
c) het periodontaal ligament bevat collageen en elastine

18. hematopoeise in de foetale 7e-9e maand gebeurt in
a) lever
b) milt
c) beenmerg
d) thymus

19. foto van een monocyt

20. foto van ruggenmerg; witte en grijze stof. Aanduiding van de witte stof.
a) deze structuur bevat collageenvezels
b) deze structuur ligt in de achterste hoorn van het ruggenmerg
c) op de doorsnede zijn capillairen te zien
d) op de doorsnede is een synaps duidelijk te zien

21. In de I band vindt men geen:
a) actine
b) tropomyosine
c) troponine
d) myosine

22. foto van hartspierweefsel. Wat is er niet correct?
a) deze structuur is gekenmerkt door een goed ontwikkeld triadesysteem
b) deze structuur bevat gap-junctions

23. Gewrichtskraakbeen is niet omgeven door periochondrium

24. de foto van de intercallaire schijf van hartspierweefsel. Met welke microscoop is deze foto getrokken?
a) lichtmicroscopisch
b) fluorescentiemicroscoop
c) TEM
d) SEM

25. Voor fixatie van een preparaat voor elektronenmicroscopie, heb je glutaaraldehyde nodig.

26. foto van papillae circumvallatae Deze structuur komt voor:
a) op de laterale zijkant van de tong
b) net voor de sulcus terminalis
c) op het anterieure 2/3e van de tong

27. De krausselichaampjes zorgen voor koude gevoeligheid

28. Foto van de thymus met 4 structuren aangeduid. Welke uitspraak is er juist?
a) de medullaire epitheelcellen zorgen voor een negatieve selectie
b) de T-lymfocyten (?) bevatten een Tcel-receptor
c)

29. foto van een type kraakbeen (hyalijn, vezelig of elastisch, ik heb geen idee welke van de 3 het was). Dit kan men terugvinden in
a) de epiglottis
b) de meniscus
c) tussenwervelschijven
d) respiratoire tractus

30. foto, wat zie je?
a) kauwmucosa (precies de foto van in de cursus)

31. tekening ameloblast
a) maturerende ameloblast
b) beginnende ameloblast
c) beschermende ameloblast(?)
d) ?

32. welke uitspraken zijn waar over de parotis
a) secreteert meeste volume speeksel
b) heeft de best ontwikkelde gestreepte kanalen (ik heb dit genomen omda ik dacht dat dat voor sereuze klieren zo was maar ben nt zeker!)
c)?
d)?

33. Welke uitspraken zijn waar over het periodontaal ligament
a) bevat collageen en elastische vezels (enige antwoordmogelijkheid dat ik nog weet omdat ik die genomen heb maar weet niet of ze juist is)

2013-2014

1. Volgorde bereiding histochemisch preparaat.
– Fixatie-Inbedden-Snijden-Kleuren-Afdekken.
2. Welke uitspraak over celorganellen is juist?
– Golgi systeem verpakt eiwitten en transporteert ze in vesikels
3. Welke uitspraak is juist?
– Claudine bepaalt doorgankelijkheid van macromoleculen in tight junctions
– Gap junctions zorgen voor de onderlinge communicatie van cellen via transport van eiwitten
– De adherenes verbinding is een verbinding tussen cadherines en actines
4. Fibronectine, wat is niet juist?
– Fibronectine is een vezelvormend proteoglycaan
– Fibronectine is een vrij plasma eiwit
5. Waar bevindt zich elastisch kraakbeen.
– Epiglottis
– Wanden van de luchtwegen
– Schildklier
6. Basofiele granulocyten komen voor in…
– Bloed
– Lymfe
– Cerebrospinaalvocht
7. Genmuatie in gen dat codeert voor erythropoietine tussen 5e en 9e embryonale
levensmaand. Waar zal dit vooral te merken zijn?
– Lever
– Beenmerg
– Dooierzak
8. Cytotoxische T-cel rijping gebeurt voornamelijk in…
– Thymus
9. Preparaat met PAS-kleuring ivm imunohistochemie (denk ik). Wat is niet juist?
– Antistof met een gebonden enzym wordt gebruikt
– Deze kleuring wordt gebruikt om specifieke eiwitten aan te duiden.
– Wordt gebruikt alleen bij vriescoupe
10. Preparaat van een sarcomeer, I-band is aangeduid (ook andere structuren maar deze vraag ging over de I-band). Wat is juist?
– Dikke en dunne filamenten overlappen elkaar hier niet
– Actinefilamenten zitten hier verankerd.
11. Preparaat van neutrofiele granulocyten. Wat is juist?
– Ruimen bacterien op
– Kleinste van de witte bloedcellen
– Hebben een kristalstructuur in hun granulen
12. Alle cellen van de granulopoiese. Eerste van de reeks is aangeduid. Welke cel is dit?
– Myeloblast
– Metamyelocyt
– Promyeloblast
– Myelocyrt
13. Preparaat van de hersenen. Enkele structuren aangeduid. De gevraagde pijl wijst naar de subarachnoidale ruimte (denk ik). Wat is juist?
– Hier bevindt cerebrospinaalvocht
14. Preparaat van de lymfklier. Aantal pijlen (Subcapsulaire sinus-kiemcentrum-medullaire sinus en nog iets). Wat is niet juist?
15. Preparaat van kraakbeen. 3 pijlen (Perichondrium-chondroblasten-matrix) Wat is juist?
16. Kauwmucosa. Wat is de juiste volgorde van de lagen?
– Stratum corneum-stratum lucidum-stratum granulosum-stratum spinosum-lamina basalis
– Stratum corneum-stratum lucidum-stratum granulosum-stratum spinosum-stratum basale
17. Iemand heeft een issue met zn gestreepte kanalen. Welk ion zal hier de meeste problemen mee hebben?
– Na+
– K+
– Cl-
– HCO3-
18. Welke van de volgende structuren vormt de bulk van de tand?
– Glazuur
– Dentine
– Gingiva
– Cement
19. Vraag over intermediar cement: waaruit bestaat het
– reticulair collageen
– glazureiwitten
– cementocyten
20. Preparaat van een grote speekselkier. Sereuze acini zijn aangeduid. Welke uitspraak is juist?
– Deze structuur heeft een sterk ontwikkeld RER
21. Preparaat van een grote speekselklier. Wat is juist?
– De afvoerkanalen van deze klier monden rechtstreeks uit in de mondbodem
– Deze klier is bilateraal en bevindt zich submandibulair
– Het secreet van deze klier is sterk viskeus
– productie 5% van speeksel
22. persoon heeft piercing in voorste 2/3 van de tong en de smaakpapillen zijn beschadigd, welke zenuw is kapot?
– nervus facialis (VII)
23. kind van 14 maanden komt bij afdeling kindertandheelkunde met ronde kronen, waarvan stukjes afbrokkelen, een grote pupaholte, kleine wortels en het dentine bevat tubuli die ver uit elkaar liggen, on-geörienteerd zijn en grote vaatruimten bevat. wat kan je zeggen over de zone van het dentine?
– de zone lijkt op bot en geproduceerd door cellen die lijken op osteblasten
– de zone wordt geresorbeerd door dezelfde cellen die de matrix produceren
– de zone bevat bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
– de zone wordt afgezet door cellen die afkomstig zijn van mesenchymale oorsprong
24. het epitheel van mucosa bevat geen:
– melanocyten
– langerhanscellen
– plasmacellen
– merkelcellen
25. preparaat dia 24 van deel parodontium: wat is F?
– cement

Vorige jaren

Vraag:

– Bespreek de bloedvoorziening in het algemeen.
– Bespreek de prostaat.
– Bespreek het leverparenchym.
– Bespreek structuur en functie alveolaire parenchym
– Bespreek de galblaas
– Bespreek de neus en paranasale holten
– Bespreek het nefron.
– Bespreek de bloedvoorziening van de lever.
– Bespreek de maag aan de hand van de functie
– Bespreek de gewrichten
– Bespreek de hepatocyt
– Bespreek de bezenuwing en controlemechanismen van dwarsgestreepte spier
– Bespreek de cellen van het bot
– Bespreek de hypofyse
– Bespreek de exocriene pancreas
– Bespreek de cervix
– Bespreek de kleppen van het hart
– Bespreek de schildklier
– Bespreek de bloedvoorziening van de nier

Preparaat:

– Dunne darm
– Long
– Bijnier
– Hart
– bijschildklier
– Schildklier
– Slokdarm
– Aorta
– Maag
– Colon

beschrijf:

– Cytoplasma
– RBC
– ECM
– Hemopoese
– Bloedcellen
– Lymfocyt
– Cytoskelet
– MALT
– Weiknoop
– amandelen
– functie vd thymus, structuur
– bloedplaatjes en megakaryocyt
– milt
– permanente celcontacten
– celkern
– witte bloedcellen adhv hun nucleaire kenmerken

Oral histo, beschrijf:

– Beschrijf pulpaholte
– Speeksel
– Cement
– Lozingsgangen van speekselklieren
– Knopfase
– Tong
– Pocket mucosa
– Dentinogenese
– Alveolair bot
– geef de tongpapillen
– knop, kap en klokfase van de tandontwikkeling
– opbouw vd speekselkier
– amelogenese
– histologie van primair dentine
– primair, secundair en tertiair dentine
– embryologische ontwikkeling en structuur van glazuur, dentine en cement
– kroonfase en wortelfase vd ontwikkeling vd tand
– vergelijk embryologische ontwikkeling van glazuur, dentine en cement

preparaten:

– bloed
– epiglottis
– speekselklier
– perifeer bloed
– foetaal beentje
– zenuw
– lymfeklier met follikels
– amandel

2017-2018

wat verstaat Aristoteles onder normale essenties

bespreek aaibaarheidsfactor

het argument van de perfecte tweeling

wat is sociaal constructivisme met het gevolg op het laatste delen van het hoofdstuk

2016-2017

 

1a hoe verklaren intellectualistische strekkingen in de Griekse filosofie het kwaad?
1b waarom is Augustinus het oneens met het Griekse intellectualisme

2a Volgens Freud is agressie een zelfstandige en oorspronkelijke drift. Leg uit.
2b Hoe brengt de analyse van het geweten Freud tot de stelling dat agressie een oorspronkelijke drift is?

3a filosofen proberen vaak menslievend (respect voor de mens) redelijk te verwoorden. Hoe probeert men deze morele houding traditioneel te rechtvaardigen?
3b toon aan waarom deze redelijke fundering consequenties heeft die moreel moeilijk aanvaardbaar zijn

4a hoe verklaart Freud de interesse in geslachtsgemeenschap?
4b volgens Freud speelt seksualiteit zich af in de spanning tussen perversie en hysterie. Leg uit.

2014-2015

1 a) ontologische perfectie en moraliteit bij aristoteles
B) waarom zijn gewaarwordingen storend bij hem

2 a) welke spirituele invulling geeft kierkegaard aan barmhartigheid
B) het christendom verandert het eros van de grieken zoals door socrates beschreven, hoe?

3 a) de moraliteit van haat en woede worden anders beoordeeld. het oordeelsvermogen wordt ook beinvloed, leg deze 2 punten uit
B)leg uit wat freud bedoelt met zelfstandige agressie drift
C)wat hebben depressieve toestanden te maken met deze drift

4A) leg de intellectualistische symbolen theorie uit
B)waarom heeft een foto een relikwie waarde en niet alleen een afbeeldingswaarde

2017-2018

Zie “WikiMedica”; 1e fase Bachelor Biomedische wetenschappen; Biochemie en moleculaire biologie (E04C1A).

 

Moleculaire biologie:

Begrippen:
-adenylaatcyclase
-dGTP
-transcriptie
-adenine
-ner
-wobble
-LINE

-primase

-Leucinezipper

Hoofdvraag:
Bespreek RNA

 

Vragen:
-bespreek Nucleoosoom
-bespreek Polymerase chain reaction
-…

 

Biochemie:

-mechanismen van de cel om enzymactiviteit te regelen
-bespreek het verloop van elektronen door de eiwitcomplexen op het binnenste membraan van die mitochondria. Leg uit wat de ATP opbrengt van NaDH en fadh2 is
-Wat zijn protoononcogenen bij D1/cdk4?
-eiwitdomein
-Km
-lactose intolerantie
-p53
-verklaar waarom celwand van bacteriën een zwakke plek is

2015-2016

Moleculaire Biologie

*definities: grote groeve DNA, ddATP, consensussequentie, activatiedomein, promotor, ORI, base excision repair, tetracycline, transpositie, nucleosoom
* Bespreek genetische variatie bij de mens en de gevolgen voor de geneeskunde (geninactivatie, genduplicatie, exonshuffling, cytochroom P450s variatie) (grote vraag, 2 pagina’s)
* Bespreek tRNA (1 pagina)

3 grote vragen:

1)    Vraag over chymotrypsine

2)    Base-excision repair

3)    Leg mRNA uit en de alle elementen dat tusse 5’-3’ liggen.

 

Termen:

Histonstaart

Heterochromatine

Serine protease

Replicatie

Translatie

SNP

cAMP

Biochemie


*Bespreek de 3 belangrijkste soorten inhibitie. + grafieken tekenen (2 pagina’s)
* Wat is fermentatie bij micro-organismen en zoogdieren? leg het verschil uit. (2 pagina’s)
* Hoe regelen cyclines en cdk’s de celcyclus? (2 pagina’s)
* Wat zijn peptidoglycanen? wat is hun medisch belang? (halve pagina)
* Hoe komt het dat als je nuchter bent de lever niet alle glucose ‘afneemt’ van de hersenen? (halve pagina)
*Wat is bcl-2? (halve pagina)
* Bespreek de structuur van collageen (halve pagina)
*Wat is ubiquinone? (halve pagina)

3 grote vragen:

1)    Rb-eiwit en link met kanker

2)    Complexen waar elektronen doorgaan en hoe kan je afleiden  hoeveel ATP gemaakt wordt door NADH of FADH2.

3)    Enzymatische regeling

 

5 kleine vragen:

CO in de lucht, waarom oppassen

Ubiquitine uitleggen

Wat zijn checkpoints in de celcyclus

G-Proteinen

Is Ramachandram-diagram praktisch of theoretisch.

 

2013-2014

MOLECULAIRE BIOLOGIE
1. Bij welk proces gebeurt er geen dubbelstrengsbreuk van DNA?
a.gammastralen
b.topoisomerase 2
c. exonuclease

2. Wat is een restrictiemap?
a. sequenties waar restrictie-enzymen knippen
b. positie van restrictie-plaatsen aangeduid op DNA-fragment

3. Waarop heeft Novobiocine effect?
a. topoisomerase

4. Structuur dGMP
5. Structuur Guanine
6. Structuur IMP
7. Structuur AMP
8. Structuur Thymine

9. Hoe noemen we het proces dat bij het Lac operon optreedt bij een glucosetekort?
a. activering
b. attenuatie
c. repressie
d. de-repressie

10. Verschil RNA en DNA?
a. Ribose een suiker is en deoxyribose niet
b. Deoxyribose een –OH groep draagt op positie 2′
c. De adenine base enkel in DNA voorkomt
d. RNA uracil bevat ipv thymine

11. Wat is de betekenis van alternatieve splicing?
a. 1 gen kan coderen voor meerdere eiwitten
b. meerdere genen coderen voor 1 eiwit
c. expressie wordt geregeld ter hoogte van de transcriptie

12. Wat is een eigenschap van heterochromatine?
a. dna kan niet overgeschreven worden
b. dna kan wel overgeschreven worden

13. Structuur van een deoxyribonucleotide. Voor wat kan dit niet als substraat dienen?
a. RNA-polymerase
b.reverse trancriptase
c.DNA-polymerase
d.telomerase
14. Een vraag over een kweek E.Coli. E. Coli wordt in cultuur gegroeid met N15. Een andere kolonie wordt in een andere cultuur gezet. Welke?
Je krijgt een afbeelding van beide situaties in centrifuge geplaatst en de UV absorptie van de bandjes die verschenen. De eerste situatie vertoonde een lager gelegen sedimentatiebandje en 1 piek van absorptie. De tweede situatie vertoonde een hoger gelegen sedimentatiebandje en een intermediair bandje. Er waren hier 2 pieken van absorptie die van het hoogstgelegen bandje hoger dan die van het intermediare.
a. De kolonie wordt eerst in een N15 gezet waarna 5 minuten in een N14
b. De kolonie wordt eerst in een N15 gezet waarna 1 uur in een N14

15. Zet in juiste volgorde ( helicase, primase, ligase, DNA polymerase, ..)

16. Waaruit bestaat een enhancer?
a. 1 basepaar
b. 1 aminozuur
c. 100 – 150 baseparen
d. 100 – 150 aminozuren

17. Welk van de volgende eigenschappen is geen probleem als we eukaryoot materiaal in prokaryoten willen brengen?
a.ze verschillen in genetische code
b.transcriptie gebeurt anders
c. translatie gebeurt anders
d. prokaryoten doen niet aan splicing

18. Welk fenomeen is verantwoordelijk voor roodvonk, botulisme en difterie?
a.transductie
b.transformatie
c.conjugatie
d.transpositie

19. Welk prentje geeft het beste weer waar de hydrofobe interacties in de leucinezipper voorkomen.

20. Hoe kan men sprinkhaanvlees detecteren in een lasagne?
a. northern blotting
b. southern blotting
c. western blotting
d. PCR

21. Wat hoort niet bij DNA-polymerase
a. semi-conservatief
b.unidirectioneel
c. semi-discontinu
d. van 5′ naar 3′

22. Welk herstelmechanisme wordt gebruikt bij UV beschadiging?
a. BER
b.NER
c. strand invasion
d. end joining

23. cDNA wordt ingevoegd in een lac operon wat is de kans dat beide leesramen in frame zijn?
a.1/2
b.1/3
c.1/6
d. 1/9

24. Wat is de functie van EF-Tu. Zie wz
a. bescherming van de aa-tRNA binding

25. Hoe wordt trypsinogeen geactiveerd?
a.via proteolyse

26. Wat is de rol van de sigmafactor van RNA-polymerase?
a. herkenning van een promotor
b. affiniteit voor DNA

27. Waarom wordt een vrouw een mozaiek organisme genoemd?
a. Het inactieve x chromosoom is van de vader
b. Het inactieven x chromosoom is van de moeder
c. Het inactieve x chromosoon kan van beide zijn
d. Geen enkel van de vorige is correct

28. Wat is/kan een transcriptiefactor niet:
a. chromatine remodelling
b.iets van die mediator

BIOCHEMIE
1. E1 ligase modificeert welk aminzouur van E2?
a. Lysine
b. Cysteïne

2. Bereken de Km en de Vmax. Gegeven: Lineweaver-Burkgrafiek.

3. Welk substraat is het meest preferentieel voor het enzym? Gegeven: Lineweaver-Burkgrafieken van 5 substraten.

4. Wat is dit? Gegeven:
a. Oleïnezuur 18:1 Δ9
b. Sfingomyeline
c. Diacylglycerol

5. Welke C bevindt zich in een peptidebinding? Gegeven: aspartaam met 5 C’s genummerd
a. 1
b. 2
c. 3
d. 4
e. 5

6. Welk enzym staat in voor substraatniveaufosforylatie.
a. Fosfoglyceraatkinase
b. Glyceraldehyde-3-fostaatdehydrogenase
c. …kinase

7. Het geheel van reacties waarbij er moleculen worden aangemaakt en dus vrije energie wordt verbruikt heet
a. Anabolisme
b. Katabolisme
c. Metabolisme

8. Wat zorgt niet voor apoptose?
a. Mutaties die de werking van p53 inactiveren
b. DNA-beschadiging
c. FAS
d. Vrijgave van enzymen van mitochondriën

9. Een goede weergave van een reactie in evenwicht is
a. ΔG = 0
b. ΔG₀ = ΔG
c. ΔG > 0
d. ΔG = 0,6 [A]/[B]

10. Wat hebben ATP, fosfoenolpyrovaat en fosfocreatine gemeenschappelijk?
a. Ze dragen hoogenergetische fosfaatbindingen
b. Ze kunnen omzetting van ADP naar ATP aandrijven
c. Ze worden gestabiliseerd door resonantie

11. Uw kotgenoot is steeds moe. Na onderzoek blijkt zijn [NAD+]/[NADH] verhouding laag te zijn en maakt hij een grote hoeveelheid lactaat aan. Wat is het probleem?
a. Er is een probleem met het transporteren van pyruvaat naar de mitochondriën
b. Hij mist een enzyme dat zorgt voor de omzetting naar pyruvaat in de glycolyse

12. Wat is geen gevolg van defect van succinaatdehhydrogenasecomplex
a. Daling fumarase
b. Daling malase
c. Stijging glyceraldehyde-3- fosfaat
d. Stijging? Ubiquinol? UbH

2017-2018

GROEP 1:

Hoofdvraag: Schets interproximale cariës en leg gestructureerd uit. Vanaf wanneer is restauratieve ingrijping aangewezen?

Bijvraag 1: Wat zijn retziuslijnen en perikymata? Hoe dragen ze bij tot de cariësdiffusie?

Bijvraag 2: wat is de Vipehölm studie? Leg de studieopzet uit

Bijvraag 3: Geef de types speekselklieren en hun bijdrage tot het speekselvolume.

Bijvraag 4: In sommige gevallen laat met specifiek carieus dentine zitten onder de restauratie. In welke gevallen is dit aangeraden? Wat zijn de nadelen?

Foto’s:

– inactieve niet-gecaviteerde lesie niet tegen gingivale rand: zeggen dat deze teruggetrokken is doordat hij niet meer onstoken is, maar dat hij vroeger tot aan de lesie kwam

– 48 uur oude biofilm op het wortel cementumoppervlak (link leggen met 48 uur oude biofilm op glazuuroppervlak?

– Actieve white spot lesies die duidelijke vorm hebben van persoon die brackets had

– wortelcariës die van actief naar arrested ging

– TEM van odontoblasten process die sclerotisch dentine aanmaken in tubuli

GROEP 2:

Hoofdvraag: geef de nieuwe en oude diagnostische technieken

Bijvraag 1: hydrodynamicatheorie odontoblasten

Bijvraag 2: dentinetubuli

Bijvraag 3:

Bijvraag 4: Welke invloed heeft een restauratie?

Foto’s:

– plaqueverklikker die verschillende kleuren heeft omdat hij leeftijd plaque ook aanduidt

 

2016-2017

1) klassieke diagnostische technieken versus nieuwe diagnostische technieken. Leg uit en geef meerwaarde
Bijvragen:
1) dentineovergevoeligheidtheorie
2) verschillende zones in dentinecaries: geef schematisch weer en teken ook relatie met pulpa
3) progressie van proximale caries en leeftijd
4) geef weer hoe vullingen gebruikt worden voor cariës en geef voor en nadelen
Foto’s:
Tandtrauma, kleuring, bacterien ( in de hoogte, maiskolf structuur, inactieve lesie met microcaviteit , periodontoblastic space en dentinetubuli proces

 

—–

 

1. ( hoofdvraag) Bespreek approximale cariës ( die tekeningen)
2. Retzius en perikymata + diffusie
3. Bespreek vipeholm en studieopzet
4. Speekselprocentrn klieren
5 VLD: voor en nadelen selectief cariësverwijdering
Dia’s: arrested ( afkomstig van white spot eruptie) | plaque cementum | actief- arrested bracket | sclerotisch proces ecm| gingivitis

 

—–

 

Hoofdvraag: tekening maken van interproximaal en bespreek waar je restoratief gaat ingrijpen

Bijvragen:
1: retziuslijnen perikymata
2: speekselklieren en percentage in verschillende situaties
3: selectief caries weghalen pos/neg
4: vipeholm studie

5: fotos

 

2015-2016

Hoofdvraag:
Proximale caries is moeilijk om een diagnose van te maken, welke middelen helpen je daarbij? Geef telkens de selectiviteit en de beperkingen.

Bijvragen:
– Wat zijn de richtlijnen om te weten of je nu een vulling moet leggen of niet? (K. Van Landuyt)
– Airabrasion: wat is het + toepassing in de diagnostiek en therapie
(de poeders kunnen geven (Na(CO3)2 is zachter, Al2O3 is harder)
– De histologie van de glazuurlesie: de microradiografie (die 3 verschillende foto’s van radiografie kunnen geven: quinoline/water/droog) en porositeit (hoeveel mineralen er al weg zijn)
– Dag en nachtritmes en hun invloed op het cariesproces

10 foto’s
– bacteriën die in de dentinetubuli zitten
– de uitholling van de kristallen
– bij orthodontie: white spot boven de plaats waar het blokje zat + krasjes bij het wegnemen van het blokje: wat is het en was is het advies dat je aan de patient geeft?
– foto van dat artikel dat je moest opzoeken! secundaire caries bij fissuurverzegeling
– letsels cervicaal door een verkeerde occlusie: abfractie
– foto met die 3 tanden (2e PM, 1e PM, H): diagnose, stadia van de letsels en behandeling? (arrested caries, dentinecaries, bodylesie: kan nog mineraliseren)
–  maiskolfstructuren, wat is het + waar en wanneer komt dat voor?
– 2 foto’s van datzelfde artikel, geen idee wat dat was:
– een foto van een tand: voor welke behandeling is deze tand opgesteld?
– foto van iets wit met een roze vlek: met wat is dit beeld gemaakt en wat is de diagnose?

Hoofdvraag: vergelijk de klassieke diagnostische methoden met de nieuwe en geef van beide de voordelen en nadelen
Bijvraag 1: dentineovergevoeligheidstheorie
Bijvraag 2: bespreek de verschillende zones van dentine caries
Bijvraag 3: bespreek de progressie snelheid van approximale caries in relatie tot leeftijd van de patient
Bijvraag 4: Kvld: bespreek de voordelen en nadelen van restauraties
Foto 1: diagnostiseer de linguale lesie van deze molaar (46 met amalgaamvullingen occlusaal, boogvormige lesie linguaal in het midden derde en met een microcaviteit) Foto 2: TEM van een gedeeltelijk opgevulde dentine tubulus Foto 3: TEM van plaque aan cementum met actinomyces Foto 4: plakverklikker Foto 5: letsels op 11 en 12 in midden derde van de tanden (trauma)
Hoofdvraag: Bespreek de Stephan curve en alle verbanden met het cariës- en erosieproces.
Bijvragen: 1. Dimensies van glazuurkristal en de positie in prismabundel (+ vgl met dentinekristal)
2. Eigenschappen van de verschillende zones in de primaire glazuurlesie (porositeit/demineralisatie)
3. Het verband tussen RX-diagnose en kans op cavitatie
4. (KVld) In welke situaties kan je ervoor kiezen om niet alle carieus weefsel weg te nemen? Bespreek de voor- en nadelen van deze techniek.
Dia’s: 1. Foto van die tand met ontwikkelingstrauma: bespreek diagnose van de drie laesies 2. Foto van odontoblastenuitloper en periodontoblastenruimte 3. EM maïskolfstructuur 4. Foto van die tanden met multifactoriële invloeden: overmatig alcoholgebruik, roken, verscheidene ziekten 5. Laesie door orthodontische bracket Hoofdvraag: bespreek de evolutie van interproximale cariës + geef aan vanaf welk stadium je restauratief ingrijpt
Bijvraag 1: bespreek perikymata en Retziuslijnen + bijdrage tot cariësproces
Bijvraag 2: Wat wou men onderzoeken met de Vipehölm-studie? Bespreek de resultaten.
Bijvraag 3: Geef de volumepercentages per speekselklier van de totale speekseltoevoer in verschillende toestanden
Bijvraag 4: (KVL) Secundaire cariës: grafiek met stijgende letseldiepte voor stijgende gap size bij composiet & dalende letseldiepte bij glasionomeer (of omgekeerd; rare vraag…)
5 dia’s: white spot lesion/odontoblastuitlopers met periodontoblastische ruimte/plaque op cementum/evolutie van actieve naar arrested wortelcariës/orthoschade

2014-2015

Hoofdvraag:
Proximale cariës bij molaren en premolaren: ontstaansmechanisme, progressie, diagnose, preventieve en therapeutische behandeling

Bijvragen:
1. Criteria die gebruikt worden om te beslissen of je moet vullen of niet, voor en nadelen hiervan en waarom je welke het best gebruikt
2. Air-n-go + hoe helpt deze bij cariësdiagnose
3. Histologie van 1ste graads glazuurcariës: microradiografie en porositeit
4. Dag- en nachtritmen en hun weerstand tegenover caries
5. Vergeten, kan iemand aanvullen

Foto’s (10):
1. dichtgeslipte en verwijde dentinetubuli
2. stepwise excavation
3. foto van wortelcariës: diagnose en hoe behandelen
4. foto van tand 3,4,5 die wij in de les gezien hebben met die 3 verschillende diagnoses (arrected, gedemineraliseerd en cavitatie): diagnose en behandeling
5. foto van tand met cariës aan de gingivale rand (arrested) en een groeve die gepigmenteerd was en ook cavitatie bevatte dus dan moest je zeggen da je eerst moest zien of het pigmentatie was en dit dan schoonmaken door te zandstralen bijvoorbeeld
6. foto van een tand waarbij QLF gebruikt werd: zeggen wat dit was
7. tand waar blokje op gezeten had: zeggen wat dit was en hoe behandelen
8. foto van maïskolven: naam + uitleggen
9. foto van glazuurkristallen die aangetast werden
10. vergeten

2013-2014

Hoofdvragen

– Bespreek diagnostische methoden voor oclusale cariës.
– Bespreek diagnostische methoden voor proximale cariës.

Bijvragen

– Bespreek endogene tanderosie.
– Welke alternatieve methodes werken volgens het principe “the seal is the deal”?
– Retziuslijnen en waarom cariesbevorderend.
– Wat zijn de bufferende componenten in speeksel.
– Abfractie, wat is het, wat zijn de gevolgen.
– Hoe verandert de microflora van een caviteit als we deze dichten, zonder de bacteriën volledig te verwijderen.
– 10 Dia’s, allemaal uit de les.

Bijvraagjes:

– RX: hoeveel microsievrenIs een cone beam, een gewone rx?
– ECM, DIAGNODent: vanaf welk getal is er caries gedetecteerd?

2008-2009

hoofdvraag:
-Bespreek de verschillende instrumenten en methoden voor het opsporen van caries (vestibulair, proximaal, occlusaal) en hun selectiviteit en beperkingen.

bijvraagjes:
-Leg de Stephan’s curve uit en welke gevolgen heeft dit
-Bespreek Carisolv
-Speekselsamenstelling in functie tot het debiet
-Vitaminendeficientie en hun relatie tot het cariesgebeuren
-Bespreek Vipeholm

dia’s:
-foto van tandplaque gekleurd met erythrosine, bespreek en waarom doet men dit
-foto van maiskolfstructuren: wat zijn dit, waar komt het voor
-foto van EM-opname van glazuuroppervlak, bespreek wat erop staat (retziuslijnen, dag-nachtpatroon…)
-foto van wortelcaries: wat is het en hoe behandel je het
-foto van erosie: wat is het en hoe behandel je het, welke maatregelen moeten preventief genomen worden

Vorige jaren

-Wat is de invloed van speeksel op caries?
-Wat is het gewichtsprocent, volumeprocent van dentine en glazuur?
-Wat zijn retsiuslijnen, perikymata,cuticula, pellicula?
-Op welke wijze ga je bacterien in de tand te lijf?
-Is de cariestriade nog een moderne weergave van schakelfactoren?
-Verklaar de Stephans curve. En wat kan hieruit besluiten?
-Geef het correlatie tussen een histologisch , microradiografisch en RX- bite-wing beeld, voor caries tot in het glazuur en caries tot in het dentine.
-Zouden we caries kunnen uitroeien door bv modificatie van en/of vaccinatie tegen streptococcus mutans? Geef de voor- en de nadelen.
-waarom is de samenstelling van de plaque ter hoogte van de wortel en het tandoppervlak anders na 48u?
-met welke middelen kan ik de fissuurcaries met grote betrouwbaarheid diagnosticeren? En vergelijk volgende manieren
-Van welke variabelen hangt het hechtingsmechanisme van cariogene bacterien af en hoe kan je die beinvloeden?
-Streptococcus mutans, waarom wordt dit micro-organisme gedoodverfd als ‘de’ cariesbacterie? Hoe met dit gegeven klinisch omspringen?
-veranderingen in bacteriele plaque en zijn weerslag op cariesontwikkeling.
-Wat zijn de PH-beinvloedende processen?
-beschrijf het primair 1ste letsel in glazuur.
-waarom is glazuur denser na initiele caries?
-Geef de verschillende zones in dentinecaries.
-Wat is de reactie van odontoblasten op dentinecaries?
-Geef de verschillende mogelijke oorzaken van tandbeschadiging.
-Tongschrapen in relatie tot caries, voor- en nadelen.
Immunisatie: zin of onzin in de aanpak van caries?

Geef de overleving van tandweefsel weer in functie van pathologie en restauratieve aanpak.
Nadelen en voordelen van tongschrapen ?
Wortelcaries: etiologie, voorkomen, pathologie, microbiologie, diagnose, rontgen, preventie en behandeling
Vitaminen

2017-2018

Hoofdvragen :

– Bespreek de zijplooi met de nodige tekeningen (x3), Beginnend van platte embryonale schijf. Geef de oorzaak, functie en de tijd waarin het gebeurt Teken de ontwikkeling van peritoneale en pleurale holten en benoem alle structuren.
– Wat wordt er gevormd uit de 5e tot 12e paar somieten? Bespreek de vorming van deze weefsels.
– Bespreek de ontwikkeling van de thymus. Hoe wordt de tong gevormd? Geef de bezenuwing daarvan.

 

Korte vragen:

– Pierre -Robin sequentie
– Dominante negatieve mutatie
– Corrigeer indien nodig : Neuroporus craniale sluit op dag 26 en neuroporus caudalis op dag 22.
– Wat gebeurt er met de ductus paramesonefricus bij mannelijke embryo?
– Wat is glazuurknoop?,

 

—–

Hoofdvragen:
Leg de ontwikkeling van de processus intermaxillaris uit aan de hand van een duidelijke tekening en leg uit wat deze vormt. Geef van het laatste stadium van de kopstaart plooiing een tekening. Geef daarbij ook de tijdsindicatie en de oorzaak.

Wat zijn kieuwzakjes, kieuwbogen en kieuwspleten ? Uit wat bestaan de kieuwbogen? Geef ook wat er exact ontwikkelt uit het 4e kieuwzakje en de 2e kieuwboog.

Geef de vorming van de halswervels vanaf de gastrulatie. ( + wat voor botvorming is dit?)

Bijvragen
Wat is multifactoriële aandoening?
Wat zijn hemangioblasten?
Wat is Jumo?
Vul aan: de… Produceren… Om de ductus mesonefricus….
Juist of fout +corrigeer? 22q11 is het Beckwith Wiedeman syndroom

—–

bespreek ontwikkeling van de tong

bespreek + teken 180 graden kop en staart plooi

bespreek +teken de eerste kieuwspleet, kieuwzakje en kieuwboog

bespreek + teken ontwikkeling van het aangezicht

 

2016-2017

1.Leg kop en staartplooi uit met oorzaken, tijden, …

2.Schildklier en bijschildklieren met tekeningen Bijvraag: is schildklier belangrijk tijdens verdere ontwikkeling

3.Geef 1 tekening waardoor processus intermaxillaris duidelijk wordt en leg alles uit van secundair palatum. Ook txf enzo uitleggen

Korte vragen:
A) 5a reductase
B) IZUMO
C) Splanchnisch mesoderm
D) Locusheterogeniteit
E) Vanwaar komt dermis van gelaat

F) Haploinsufficiëntie

 

—–
1) kopplooi en processus intermaxillaris uitleggen beide aan de hand van 1 tekening
2) kieuwspleet, kieuwzakje en kieuwboog uitleggen en de 4 basiselementen. Wat vormt er uit kieuwboog 2 en kieuwzakje 4.
3) leg ontstaan van 7 nekwervels uit vanaf de gastrulatie en leg gastrulatie uit zonder de prospectieve face maps

Bijvragen:
1) hemagioblasten
2) Juno
3) 2 mutaties leg uit wat voor soort heteregoniteit ze zijn
4) foetale..cellen zorgen voor.. dat ervoor zorgt dat de ductus mesonefricus…
5) een 22q11.2 deletie is syndroom van wiedemann beckwith en is een neurocritopathy wat voornamelijk veroorzaakt wordt door NHAR ( pas aan)

 

—–

 

1. Primaire neurulatie
2. Kieuwbogen Kieuwboog 1 en kieuwzak 2
3. Gezichtsontwikkeling

Bijvragen:
1. Haploinsufficientie
2. Conflict hypothese
3. Bipotentiele fase in 1 tekening
4 volgorde icm, membraan heuser, amnion, chorion..
5 sclerotoom eerste .. paar occiputale somieten vormen …

2015-2016

Hoofdvragen

* Wat is een kieuwboog, kieuwspleet en kieuwzakje (tekening en tijdstippen). Wat komt er verder uit 3e kieuwboog, -zakje en -spleet. Ook aan de hand van tekening.
* Ontwikkeling van de mannelijke gonaden en secretiewegen? vanaf de 6e week.
Leg ontstaan van de nekwervels uit vanaf de gastrulatie.
* Leg het ontstaan van de thymus en de tong uit met bijbehorende tekeningen. Geef ook de bezenuwing van de tong.
* Leg het ontstaan van het secundaire palatum gedetailleerd uit aan de hand van tekeningen.
* Geef een definitie van de primaire neurulatie. Hoe verloopt dit proces? Leg uit aan de hand van tekeningen
* Wat komt er uit de eerste 12 somieten en hoe worden die weefsels dan gevormd?
* Zijplooi: uitleggen met tekeningen, data, functie, oorzaak
* Vorming neusholte (+ sinussen)

Bijvragen

 

* Wat zijn hemangioblasten?
* Wat is de ‘genetic conflict hypothese’
* Geef een definitie van glazuurknoop (enamel knot).
* Corrigeer indien nodig: ‘de prostaat komt voort uit de ductus mesonefricus.’
* Teken het embryo dag 12-13 en benoem alle structuren die je tekent.
* 4 structuren aanduiden op tekening= allantois, amnion, …
* Corrigeer indien nodig: deletie op 22q11.2 geeft aanleiding tot Beckwith-Wiedemann? en is een neurocristopathy.
* Waarvan is de dermis van het gelaat afgeleid?
* Uit wat bestaat de processus intermaxillaris en wat vormt het?
* Treacher collins
* Wat komt uit 1e en 2e kieuwzakje
* Uit wat komt enterale zenuwstelsel
* Duurt metafase2 -> anafase2 evenlang bij spermagenese en oogenese

* juist/fout: de pkc komen uit intermediair mesoderm

2014-2015

* bespreek de craniale kromming met tekeningen + oorzaken + waarom gebeurt het
* bespreek de vorming van tong (met tekeningen), bespreek de tong bezenuwing + ontstaan schildklier (met tijden)
* bespreek ontstaan primair en secundair palatum (met tekeningen + tijden)
* juist/fout: ectoderm vormt uit hypoblast
* foetale leydig cellen produceren …. dat volgende effecten heeft op de ductus mesonefricus: ….
* uit paraxiaal mesoderm van de hals vormen zich … die verder uitgroeien tot …
* dermis van aangezicht vormt uit …
* juist/fout: membraan van Heuser is scheiding tussen amnion holte en chorion holte. Maak tekening ter verduidelijking
* laterale plaat mesoderm: ontstaan en waar bevindt het zich na week 4

2013-2014

Hoofdvragen:
1. Bespreek het ontstaan van laterale plaat mesoderm uit de epiblastcellen. Waar bevindt het zich na week 4? Welke structuren vormt het?
2. Bespreek de embryonale ontwikkeling van het secundaire palatum
3. Bespreek de algemene opbouw van kieuwbogen. Bespreek 1e kieuwboog, 2e kieuwzakje en 3e kieuwspleet.

Bijvragen:
1. Duurt de overgang van metafase 2 naar anafase 2 even lang bij oogenese als spermatogenese?
2. Zet in chronologische volgorde: ICM, amnion holte, primitieve dooierzak, definitieve dooierzak, syncitiotrofoblast en chorionholte.
3. Welke nummer heeft de zenuw n hypoglossus en wat bezenuwt het?
4. Stamboom en dan zeggen of het dominant, recessief, x-gebonden, … is
5. Bespreek de opeenvolgende gebeurtenissen van het sluiten vd neurale buis

2012-2013

HOOFDVRAGEN:
1 Bespreek de primaire neurulatie
2 Bespreek de ontwikkeling en bezenuwing van de tong
3 Bespreek de ontwikkeling van het aangezicht (te beginnen vanaf platte embryonale
schijf)

KORTE VRAGEN:
1 Tekening gegeven en daarop 2 dingen (ductus mesonefricus en paramesonefricus)
aanduiden en zeggen uit welke kiemlaag gevormd
2 Juist/fout: De 3 gehoorbeentjes ontwikkelen uit kieuwboog (of kieuwzak, ben het al
vergeten) 1, 2 en 3.
3 Corrigeer indien fout: De embryoblast vormt hypoblast, epiblast en trofoblast.
4 Vul aan: Een monochorionische, diamniotische tweeling ontstaat door de splitsing
van…

corrigeer indien fout: het splanchisch en somatisch mesoderm vormen de amnionholte na vouwing(iets in die aard). het antwoord moest dan intraembryonaal coeloom zijn.

Het endoderm ontstaat uit de hypoblast( was fout ! want da wordt dus vervangen)

3 hoofdvragen:

1. bespreek de transversale kromming (met tekeningen)
2. vorming van de neusholte
3. bespreek 2de kieuwboog, -zakje en kieuwspleet

bijvragen:

1. komt het fenotype bij autosomaal dominant altijd in elke generatie voor?
2. zijn de somieten afkomstig van het sclerotoom?
3. bij oogenese: bij een primaire oocyt worden 4 def oocyten gevormd: juist of fout
4. van waar spreken we van ectoderm?
5. behoudt de ductus mesonefricus zijn functie zowel bij mannen als vrouwen?

Hoofdvragen

1. Bespreek het laterale plaat mesoderm. Hoe wordt het gevormd vanaf de epiblastcellen? Wat wordt er uit gevormd?
2. Bespreek de structuur van 1ste kieuwboog, zakje en spleet en welke structuren worden eruit gevormd?
3. Bespreek klokfase en appositiefase van de melktand.

Korte vragen

1. Tekening van stamboom: Dominant, recessief, X-gebonden afwijking?
2. Wat is de nervus hypoglossus?
3. Juist/fout: de transistiefase tussen metafase II en anafase II is bij oogenese en spermatogenese evenlang.
4. Juist/fout: Primair palatum wordt gevormd uit processus maxilaris.
5. Orden chronologisch: Ontstaan van: syncytiotrofoblasten – primaire dooierzak – definitieve dooierzak – amnionholte – chorionholte – inner mass cellen – blastomeren
6. Chronologische volgorde van sluiten van neurale buis. Welke cellen worden er gevormd?

Vorige jaren

– geef een stamboom van 3 generaties van een autosomaal recessief overgeerfde erfelijke aandoening + bijvragen: geef een voorbeeld & geef de 2 redenen waarom dit kan
– bespreek de dooierzak
– bespreek de processus maxillaris
– bespreek de weg van de bevruchte eicel tot blastula
– bespreek kort het ontstaan van de derde kiemlaag
– schets kort het ontstaan van de neus
– welke soorten tweelingen zwangerschappen kent u
– bespreek het dermatoom
– welke structuren ontstaan uit de tandpapil
– hoe kan chromosomale trisomie ontstaan
– bespreek de dooierzak
– bespreek de ontwikkeling van de tandwortel
– vergelijk IVF met natuurlijke bevruchting
– bespreek vorming van somieten
– bespreek vorming van gehoorgang
– bespreek de prechordale plaat
– wat is de copula bij de ontwikkeling van de tong
– bespreek het blastulastadium
– bespreek de evolutie van de bevruchte eicel tot en met de blastula
– wat is de neurale plooi
– welke structuren ontstaan uit de tandpapil
– teken ontwikkeling van de neus
– 2de week van de ontwikkeling
– beschrijf ontstaan van neurale groeve & neurale buis
– verschillen tussen spermatogenes en oogenese
– wat is het scerotoom
– bespreek de membrana buccopharyngea
– wat zijn embryonale stamcellen
– geef het ontstaan van de tong
– bespreek het primitieve palatum
– verklaar tripoloidie
– bespreek EEM
– bespreek de rol van neuromesoderm in de ontwikkeling van de tand

2016-2017

Zie “WikiMedica”; 1e fase Bachelor Geneeskunde; Initiatie tot het medisch wetenschappelijk onderzoek (E04Y6A)

2016-2017

1) teken bovenhoektand en onderhoektand en geef aan de hand van je tekeningen de verschilpunten weer
2) teken de 1e ondermolaar en geef aan de hand van je tekening de belangrijke kenmerken weer + geef de verschillen met de 2e ondermelkmolaar
3) waar staan in een ideale occlusie de palatale cuspides van de bovenmolaren (V-L) geef een sagitale tekening
3) rangschik de cuspides van de 1e bovenmolaar van groot naar klein
4) welke melktand zit er boven tand 45
5) bepaal de leeftijd: alle melkmolaren , melkbovensnijtanden, definitieve eerste molaren en definitieve ondersnijtanden
6) meerkeuze vragen over snijtanden
7) foto van een tand : geef tandnummer en 3 redenen ( het was een melkhoektand :53)
8) 2 foto’s occlusaal aanzicht alleen:geef tandnummers en 3 redenen ( was volgens mij de 14, 15)
9) 2 foto’s ook occlusaal geef de tandnummers ( was volgens mij 45 en 46)

 

2013-2014

– Teken het vestibulaire, mesiale en occlusale aanzicht van de 1e bovenpremolaar en benoem/beschrijf de belangrijke morfologische kenmerken.
– Vergelijk aan de hand van tekeningen de centrale bovensnijtanden met de centrale ondersnijtanden. Geef de 3 belangrijkste verschillen.
– Teken de eerste ondermolaar en geef de belangrijke morfologische eigenschappen. Geeft de 3 belangrijkste verschillen met de 2e ondermolaar.
– Een vraag over doorbraaktijden: een patiënt bezit al zijn melktanden van de bovenkaak, zijn melkhoektanden, melkmolaren, definitieve molaren en definitieve onderste incisieven. Hoe oud schat je deze patiënt? a) 5-7 b) 8-9 c).. d).. (meerkeuze)
– Een vraag over welke kuspiden het hoogst is van een bovenmolaar (meerkeuze)
– Een vraag over de eigenschappen van de premolaren.a)Bij welke van de premolaren is de centrale groeve soms afwezig?b)Welke van de premolaren heeft een niet werkend linguaal/palataal kuspide?c)Welke van de premolaren heeft altijd 2 wortels?
– Herkennen van een tand + 3 redenen waaraan je dit kan afleiden
– idem

2012-2013

1) Centrale ondersnijtand tekenen en verschillen geven met laterale ondersnijtand
2) Occlusaal vlak tekenen van eerste onder- en eerste bovenpremolaar. De verschillen geven.
3) Eerste rechterbovenmolaar tekenen. Verschillen en gelijkenissen geven met de tweede melkmolaar
4) a. Welke stellingen zijn juist of fout? (Grappige vraag, ze zijn toch allemaal juist of fout?)
– vergeten
– pulpholte relatief groter bij melktanden dan definitieve tanden
– melksnijtanden breder dan hoog in vgl met definitieve tanden
– eerste ondermolaar occludeert met 2e bovenmolaar
4) b. aantal wortels, aantal kanalen, aantal pulpahoornen, namen van de wortels. Van 4 tanden, premolaren en molaren
4) a. leeftijdsbepaling: die en die tanden zijn aanwezig. Hoe oud schat je het kind?
4) d. twee tanden herkennen + 3 argumenten geven waarom het die tand is.

2008-2009

1) Teken V,M,L en O aanzicht van de tweede rechter onderpremolaar en benoem de belangrijkste morfologische kenmerken (geen beschrijving)
2) Teken achtereenvolgens het incisale aanzicht van de centrale boven- en ondersnijtand en geef de belangrijkste veschillen (enkel incisaal)
3) Teken de eerste rechter ondermolaar en geef de belangrijkste verschillen met de eerste bovenmolaar.
4a) Welk nummer hebben volgende tanden:
-linker boven melkhoektand
-tweede onder melkmolaar
-3e rechter ondermolaar
-tweede linker bovenpremolaar
4b) Welke definitieve tanden komen er op de plaats te staan van de tweede melkmolaar?
-eerste premolaar
-tweede premolaar
-eerste molaar
-tweede molaar
-derde molaar
4c) Welke tanden heeft een 9-jarig kind?
-MHT
-HT
-… (alle mogelijke tanden staan opgesomd)
4d) Welke tand is dit? (tekening v. melktand 85) Geef de algemene kenmerken waarop uw antwoord is gebaseerd.

2017-2018

Structuren benoemen (15 hoofd + 10 rest) letterlijke beelden ppt

Spieren die humerus doen bewegen

Spieren gebonden aan os occipitale

7e craniale zenuw

Tekening n. spinales: structuren benoemen

letterlijk deze vragen:  Omcirkel het correcte antwoord (juist/fout) GISCORRECTIE
A. De volgende uitspraken zijn juist over de sinus cavernosus
a. is gelegen op het os sphenoideale                                                                   Juist / Fout
b. is gelegen boven de hypofyse                                                                           Juist / Fout
c. ligt posterieur tov de fissura orbitalis superior                                             Juist / Fout
d. de maxillaire tak van de nervus trigeminus loopt hierdoor                    Juist / Fout
e. de nervus trochlearis loopt hierdoor                                                                               Juist / Fout

B. De structuren die doorheen het foramen magnum lopen zijn:
a. nervus vagus                                                                                                                             Juist / Fout
b. nervus accesorius                                                                                                    Juist / Fout
c. arteria vertebralis                                                                                                     Juist / Fout
d. nervus glossopharyngeus                                                                                    Juist / Fout

C. De nervus glossopharyngeus
a. geeft gevoelsbezenuwing aan posterieure derde van de tong                            Juist / Fout
b. geeft motorische bezenuwing van pharynx                                                 Juist / Fout
c.  geeft sensorische bezenuwing middenoor                                                  Juist / Fout

D. zenuwen die in de laterale wand van de sinus cavernosus lopen
a. nervus opthalmicus                                                                                                 Juist / Fout
b. zesde craniale zenuw                                                                                                            Juist / Fout
c. anterieure nervus etmoidalis                                                                                              Juist / Fout
d. nervus opticus                                                                                                          Juist / Fout
e. derde craniale zenuw                                                                                            Juist / Fout

E. De m. buccinator
a. is aangehecht aan beide kaken thv. de molaren                                         Juist / Fout
b. wordt bezenuwd door de nervus facialis                                                       Juist / Fout
c. is een kauwspier                                                                                                       Juist / Fout
d. hecht aan de raphe pterygomandibularis                                                      Juist / Fout

bevloeiing arm vanaf hart

—–

EXAMEN HOOFDGEDEELTE

A.maxillaris takken

Spieren die vasthechten aan os occipitale

JUIST/FOUT 1

Welke zenuwen  lopen doorheen os temporalis?

5 zenuwen gegeven: n vagus, vestibulocochlearis, facialis, olphactorius, glossofaryngeus

JUIST/FOUT 2

Innerveren deze zenuwen spieren die op de mandibula aanhechten?

 

Andere zenuwen gegeven

2016-2017

Hoofd/Hals

1) Geef de structuren die door de sinus cavernosus lopen en of ze er lateraal of centraal doorlopen. Geef bij de zenuwen ook weer of ze motorisch of sensorisch zijn.

2) geef de spieren die aan de mandibula aanhechten ( origo, insertie, bezenuwing)

3 ) meerkeuze vragen met giscorrectie
– structuren die door os temporale lopen
– structuren die door foramen magnum lopen
– stellingen m buccinator
-…

4) voor osteologie 15 botten benoemen

 

En voor niet hoofd en hals:

1) welke spieren betrokken bij ademhaling
2) takken van plexus lumbosacralis
3) bevloeiing van hart zelf zowel arterieel als veneus
4) 10 osteologie

A. De volgende uitspraken zijn juist over de sinus cavernosus
a. is gelegen op het os sphenoideale Juist / Fout
b. is gelegen boven de hypofyse Juist / Fout
c. ligt posterieur tov de fissura orbitalis superior Juist / Fout
d. de maxillaire tak van de nervus trigeminus loopt hierdoor Juist / Fout
e. de nervus trochlearis loopt hierdoor Juist / Fout

B. De structuren die doorheen het foramen magnum lopen zijn:
a. nervus vagus Juist / Fout
b. nervus accesorius Juist / Fout
c. arteria vertebralis Juist / Fout
d. nervus glossopharyngeus Juist / Fout

C. De nervus glossopharyngeus
a. geeft gevoelsbezenuwing aan posterieure derde van de tong Juist / Fout
b. geeft motorische bezenuwing van pharynx Juist / Fout
c. geeft sensorische bezenuwing middenoor Juist / Fout

D. zenuwen die in de laterale wand van de sinus cavernosus lopen
a. nervus opthalmicus Juist / Fout
b. zesde craniale zenuw Juist / Fout
c. anterieure nervus etmoidalis Juist / Fout
d. nervus opticus Juist / Fout
e. derde craniale zenuw Juist / Fout

E. De m. buccinator
a. is aangehecht aan beide kaken thv. de molaren Juist / Fout
b. wordt bezenuwd door de nervus facialis Juist / Fout
c. is een kauwspier Juist / Fout
d. hecht aan de raphe pterygomandibularis Juist / Fout

2014-2015

1. Welke structuren lopen door de sinus cavernosus, centraal/lateraal
2.welke spieren hechten aan de maxilla: origo, insertio, zenuw en functie
3.juist/fout vragen met giscorrectie
4. de structuren rondom het ruggenmerg die zenuwen en gangliarondom benoemen
5. geef alle spieren die nodig zijn voor inspiratie en expiratie: origo, insertio functie
6. arteries die het abdomen bevloeien t.e.m. het ligamentum inguinale
osteologie: foto’s en benoemen

2013-2014

2. Bespreek de takken van de a. maxillaris.
3. Omcirkel het correcte antwoord (juist/fout)

A. De volgende uitspraken zijn juist over de sinus cavernosus
a. is gelegen op het os sphenoideale Juist / Fout
b. is gelegen boven de hypofyse Juist / Fout
c. ligt posterieur tov de fissura orbitalis superior Juist / Fout
d. de maxillaire tak van de nervus trigeminus loopt hierdoor Juist / Fout
e. de nervus trochlearis loopt hierdoor Juist / Fout

B. De structuren die doorheen het foramen magnum lopen zijn:
a. nervus vagus Juist / Fout
b. nervus accesorius Juist / Fout
c. arteria vertebralis Juist / Fout
d. nervus glossopharyngeus Juist / Fout

C. De nervus glossopharyngeus
a. geeft gevoelsbezenuwing aan posterieure derde van de tong Juist / Fout
b. geeft motorische bezenuwing van pharynx Juist / Fout
c. geeft sensorische bezenuwing middenoor Juist / Fout

D. zenuwen die in de laterale wand van de sinus cavernosus lopen
a. nervus opthalmicus Juist / Fout
b. zesde craniale zenuw Juist / Fout
c. anterieure nervus etmoidalis Juist / Fout
d. nervus opticus Juist / Fout
e. derde craniale zenuw Juist / Fout

E. De m. buccinator
a. is aangehecht aan beide kaken thv. de molaren Juist / Fout
b. wordt bezenuwd door de nervus facialis Juist / Fout
c. is een kauwspier Juist / Fout
d. hecht aan aan de raphe pterygomandibularis Juist / Fout

2. Bespreek de arteriële bevloeiing van de arm startende vanuit het hart
3. Geef elk van de volgende zenuwen :
– welke structuren ze bezenuwen
– hoe ze de structuur bezenuwen (sensorisch, motorisch)
– van welke zenuw/structuur ze een aftakking zijn

N. fibularis communis
N. auricularis magnus
Ansa cervicalis
N. musculocutaneus
N. ulnaris
N. ilioinguinalis
N. saphenus

2017-2018

-Grand rapids beschrijven, conclusie en maatregelen

-Probiotica en prebiotica

-Welke andere mechanismen naast lokale mechanismen bij voeding en mondgezondheid + voorbeelden

– 4 termen uitleggen: sanguinis, cyclamaat, elonase, GERD

-Wat het betekent dat tandplaque biofilm is en wat de implicaties van de preventie van de aandoening zijn

 

-Gevolgen van acute fluoride intoxicatie en maatregelen

 

2016-2017

 

1. Grand rapids studie –> wat werd er onderzocht, wat was de conclusie en wat zijn de gevolgen?
2. Evolutie van aanpak en behandeling heeft impact op epidemiologische registratie (antwoord motiveren)
3. Wat is de rol van speeksel in het neutraliseren van zuren?
4. Wat voor tandpasta bij mensen met xerostomie?
5. Wat zijn prebiotica en probiotica en wat is de link met mondgezondheid?
6. 4 begrippen uitleggen: climax community, 5 A’s, primaire preventie en derdebetalers regeling

 

—–

 

– verschillende niveaus preventie benoemen + 2 voorbeelden/niveau
– Window of infectivity: leg uit; effect op cariësgevoeligheid; link metpreventie
– systemische toediening fluoride: verklaar + gevolgen
– alcohol in mondspoelmiddel: voor- en nadelen
– plannigscommissie: wat doen ze + effect op mondgezondheid
– woorden: grand rapids; pittsberg, alfa-amylase; caseine.

 

—–

 

 

1. Kun je het best voor of na de maaltijd poetsen? Geef voor- en nadelen.
2. Wat is het ijsbergfenomeen en wat voor gevolgen heeft dit voor epidemiologie?
3. Bespreek hoe CHX gebruikt kan worden bij hoog cariësrisico
4. Leg uit hoe hoge concentratie fluoride werkt.
5. Sommige afwijkende gedragseigenschappen hebben een gevolg op mondgezondheid, geef voorbeelden en bespreek de impact op mondgezondheid
6. Apollonia, fluoridebom, window of infectivity, CAMBRA

2015-2016

1. Manieren om te testen of voedsel cariogeen is of niet
2. Bradford hill criteria
3. Waarom hangt erosie af van het soort zuur
4. in tandpasta’s met fluoride; welke verschillen heb je daarin
5. Verschil tussen suikervervangers en zoetstoffen

1. Bespreek het dualistisch karakter van de dentale biofilm
2. Tot welke groep suikervervangers behoort sorbitol? Geef eigenschappen mbt cariogeniteit + specifieke (tegen)indicaties
3. Werkingsmechanisme van fluoride
4. Bespreek de begrippen prevalentie en incidentie. Kunnen deze parameters negatief zijn?
5. Moedermelk speelt een belangrijke rol in de voeding van jonge kinderen. Rol in tandbederf? Specifieke aanbevelingen in de praktijk

1. Primaire primaire preventie en voorbeelden
2. CHX om caries te bestrijden?
3. Waarom we best met tandpasta poetsen,
4. De plaque- inhiberende mondspoeling
5. Chronische intoxicatie van fluor

1. Het lokale effect van systemische f supplementen
2. Wat werd er onderzocht bij de Grand Rapids studie, wat waren de conclusies en de maatregelen
3. Alcohol in mondspoeling
4. De verschillende soorten fluoride verbindingen in tandpasta met voordelen en nadelen

1. Ijsbergfenomeen
2. Verticale en horizontale transmissie. Verband met preventie?
3. Verschillende manieren voor interdentale reiniging, welke is het best?
4. Tandpasta en aften, advies aan patiënt?
5. Bronnen voor inname van fluoride. Advies naar patiënt toe

1. Primaire preventie uitleggen en 3 concrete voorbeelden geven
2. Invloed van fluoridegebruik bij de prevalentie van cariës en je antwoord motiveren
3. Manuele en elektrische tandenborstel voor- en nadelen
4. Duale rol van plaque bij mondaandoeningen
5. De weg die fluoride aflegt in het menselijk lichaam en welke implicaties dit heeft op je advies.

Kort bespreken:
– Recall bias
– alfa-amylase
– enolase
– strontiumchloride
– GERD
– CAMBRA
– Fee for service
– Third hand smoking
– polarisatiefenomeen
– fluoride bom
– gantrez
– climax community
– grand vichy (ook: wat zijn de regels van labeling bij waterflessen omtrent fluoride gehalte)
– triclosan
– RDA-waarde
– Texas Teeth
– common risk factor pathway.
– miswak
– NLS
– MIPaste
– xylitol
– passief roken
– motivational interviewing
– sojamelk
– ecologische cariësbestrijding

2014-2015

1. Wat is primaire preventie, geef minimaal 3 voorbeelden.
2. Wat is het effect van fluorgebruik op het rapporteren van de prevalentie van caries.
3. Vergelijk de elektrische met de manuele tandenborstel. Voor- en nadelen.
4. Wat is motivational interviewing?
5. Wat is de weg van fluoride in het menselijk lichaam na inname, wat is de impact op vlak van de preventieve adviezen?
6. Begrippen:
A. Common risk factor approach
B. Triclosan
C. RDA-waarde
D. Texas teeth

1. Wat is het polarisatiefenomeen en hoe is dit ontstaan?
2. Chloorhexidine kan worden gebruikt om hoge cariësgevoeligheid aan te pakken. Bespreek hoe en waarom.
3. Geniet elektrisch poetsen de voorkeur boven manueel poetsen? Vergelijk elektrisch poetsen met manueel poetsen.
4. Bespreek de verschillende vormen van fluoride die in tandpasta voorkomen, met hun voordelen en nadelen.
5. Wat zou je aanraden bij de behandeling van een patiënt met orthodontie?
6. Bespreek de volgende begrippen:
a. Common risk factor approach
b. Triclosan
c. RDA
d. Texas teeth

2013-2014

Vraag 1: Wat is een polarisatiefenomeen en hoe is dit gekomen?
Vraag 2: Verklaar ‘window of infectivity’ met enkele voorbeelden, geef klinische gevolgen
Vraag 3: Geef het verband tussen fluorconcentratie en cariësremming in tandpasta
Vraag 4: Alcohol in het mondspoelmiddel
Vraag 5: Verklaar bondig te volgende begrippen:

common risk factors
miswak
RDA
Pompelmoes

1) Welke niveau’s kunnen onderscheiden worden binnen de preventieve gezondheidszorg? Benoem ze, geef de onderlinge verschillen aan en illustreer met praktische voorbeelden.2) Chloorhexidine kan benut worden in de aanpak van een hoge cariesgevoeligheid, hoe gaat men daarbij praktisch te werk?
3) Wat is het verband tussen tandpastagebruik en het optreden van aften?
4) Waarin verschillen kindertandpasta’s van klassieke pasta’s?
5) Bondig verklaren: passief roken, verticale transmissie, motivational interviewing, zuigflescaries

1) Bespreek het ijsbergfenomeem,..
2) Bespreek kolonisatieresistentie, welke impact in de mondgezondheid?
3) Welke ingredienten in tandpasta tegen bestrijding van tandsteen?
4) Klassieke tandpasta en CHX-spoelmiddel. Interferentie? Impact?
5) Verklaar bondig: primaire primaire preventie, cariesbalans, cervitec, sanguinaria

1) Hoe wordt fluor opgenomen in het lichaam en welke gevaren zijn er aan verbonden.2) Tandpasta en homeopathie (zeer korte vraag)3) Hoe kan iemand met een slechte mondhygiëne toch weinig cariës hebben.4) Waarom spreken we van verticale transmissie bij cariëspreventie voor kinderen.5) Veklaar bondig: Polarisatiefenomeen, Ecologische cariëspreventie, Texas teeth, Ozon

2008-2009

-persoon komt voor nazicht, amper plaque toch erg caries gevoelig(bestraling-> geen speeksel, rest improviseren)
-chronische tox F
-invloed borstvoeding op mond gezondheid
-adviezen aan ouders voor petotter van 2
-grafiekske DMFT geïndustrialiseerde landen en 3 wereld

1) Verklaar hoe een persoon met veel accumulatie van plaque toch cariësvrij kan zijn.
2) Verschillende tandpasta’s hebben een verschillende hoeveelheid fluoride.
-welke verschillen bestaan er
-wanneer worden ze aangeraden
3) Geef de voor- en nadelen van drinkwaterfluoridering
4) Wat is Cervitec?
5) Kaartje van verschillende graad van aantasting in vlaanderen, bespreek

2016-2017

Stellingen JUIST/FOUT:

1. Het ligamentenum sphenomandibulare verloopt van de spina ossis sphenoidale naar de lingula mandibulae.

2. De m. palatopharyngeus wordt bezenuwd door de n. glossopharyngeus.

3. De m. levator veli palatini wordt bezenuwd door de IX en de X.  juist Xen XI

4. De bovenlip wordt bezenuwd door de n. infraorbitalis.

5. De excentrieke tongspieren zijn (van mediaan naar lateraal) m. genioglossus, m. hyoglossus en m. styloglossus.

6. De hiatus semilunaris (sinus maxillaris) geeft toegang tot de meatus nasi medius.

7. De bloedtoevoer van de larynx gaat via de a. laryngea superior, takje van a. thyroidea superior die zelf een takje is van a. carotis externa, en via a. laryngea inferior, takje van a. thyroidea inferior die een takje is van de a. subclavia.

8. De sutura mediana palatina wordt “opengetrokken” bij orthodontische verbreding van de bovenkaak.

9. De uitvoergang van de glandula parotidea is gelegen t.h.v. de eerste ?/tweede bovenmolaar.

10. De n. glossopharyngeus verlaat de schedel via het foramen jugulare.

11. Het kapsel van het ATM hecht dorsaal o.a. vast aan de fissura squamotympanica.

12. De nerveuze spleet (tong) ligt tussen de m. mylohyoideus en m. hyoglossus.

13. De larynx wordt bezenuwd door de n. vagus via de n. laryngeus superior en de n. laryngeus recurrens.

14. De n. facialis verlaat de schedel doorheen het foramen stylomastoideum

Powerpointbeelden: nummers benoemen

2017-2018

Meerkeuze examen dat voor elk onderdeel apart ingevuld wordt.

Biologie:

-die stelling van fantoompijn

-of je bij koffie best een glas water kan geven om de bloeddruk in orde te houden

-of er krampen in de spieren komen bij sporten als het energieniveau daalt

-als iemand die geen immuunsysteem heeft medicatie nodig heeft als die een transplantatie krijgt

-Geamputeerde vingen onmogenlijk jeuken wnt tastreceptoren afwezig

-Enkel prikkels die het membraan potentiaal doen stijgen w door het neuron doorgegeven tot in het axonale uiteinde

-Auto-imuun ziekten zijn lymfocyten die normaal tegen pathogenen reageert op lichaamseigen eiwitten gaat richten.

-Plots recht staan uit bed = hart sneller kloppen

-Het is onmogelijk om neuronen te maken uit hematopoietische stamcellen

-Sommige hormonen werken als transcriptiefactoren

-Door zeer gelokaliseert celrecptoren af te breken in een celmembraan, is de cel dan nog gevoelig voor een paracrien mebraan

-Bloed hoge osmolariteit is meer plassen

-Astronaut die na een maand rust in de ruimte terug op de aarde makkelijker een been breken door de zwaartekracht

-Als de spemann orginaser wordt getransporteerd in gedetermeerde huid ectoderm, zal er geen 2de lichaamsas ontstaan

-Als men de exocriene pancreas verwijdert, heeft dit enkel invloed op de vertering van eiwitten.

-Als je een espresso drinkt, daalt het bloedvolume.

-Een spier gaat … en krijgt kramp als de energie op is. (?)

-Een kikker heeft van alle landdieren de meest efficiënte ademhaling omdat deze op land en in water kan ademen.

-Als er iets mis is met de epitheliale-mesenchymale transitie heeft dit invloed op het kaakbeen en de tandontwikkeling.

-Een vraag van hoofdstuk ‘bloed’ over een transplant uitvoeren bij een persoon die bestraling ondergaat (deze heeft geen eigen immuniteit), ‘het transplant wordt niet afgestoten dus we moeten geen antigenen geven’)

-Epigenetische wijzigingen dragen bij aan de reprogrammering van adulte stamcellen naar embryonale stamcellen.

-Een geamputeerde vinger kan onmogelijk nog jeuken want de tastreceptoren zijn weg.

-Membranen zorgen voor stevigheid van de cel en zijn een barrière die slechte bacteriën tegenhouden.

 

Biofysica:

-Een basketbal (massa M, straal R) rolt over de vloer aan een constante lineaire snelheid v. Bepaal de verhouding van de rotationele kinetische energie van de bal, Krot, tot de totale kinetische energie Ktot.

-Glycerine, met een viscositeitscoëfficiënt èta vna 1,5 Pa.s, stroomt aan een gemiddelde snelheid van 1,2 m/s door een 25 cm lange cilindrische buis met een straal van 5 mm. Bereken het drukverschil over de uiteindes van de buis dat nodig is om deze stroming te onderhouden.

-Een staaf (lengte 1,5 m en massa 4,0 kg) is door middel van een scharnier aan het linkeruiteinde bevestigd aan een muur. De staaf wordt vanuit horizontale positie uit rust losgelaten. De staaf roteert daardoor rond het scharnier en het rechteruiteinde beweegt naar beneden (zie figuur). Bepaal de grootte van de initiële versnelling van het rechteruiteinde, aR.

-In een elektrolyt bevinden zich verschillende ionen. Veronderstel dat een elektrisch veld aangelegd wordt over de oplossing. Welk ion zal de grootste driftsnelheid verkrijgen (met r de hydrodynamische straal van het betreffende ion)?

-Twee identieke ballonnen worden opgeblazen tot een verschillend volume. Wat zal er gebeuren wanneer de twee ballonnen met elkaar verbonden worden via een rietje? Lucht kan hierdoor stromen van de ene ballon naar de andere maar er kan geen lucht verdwijnen uit het geheel van de twee ballonnen. Je mag aannemen dat het volume van het rietje verwaarloosbaar is. Tip: wet van Laplace.

-Een uniforme schijf met straal R kan wrijvingloos roteren rond een horizontale as door het midden van het wiel. Op de rand van het wiel zijn drie kleine objecten vastgemaakt met massa’s M, 2M en 3M (zie figuur). Hoe groot is het nettokrachtmoment tov de rotatie-as op het ogenblik dat weergegeven is op de figuur?

-Een ziekenwagen rijdt aan een constante snelheid langs een rechte weg. De sirene van de ziekenwagen zendt geluidsgolven uit met frequentie f0. Op tijdstip t = t0 passeert de ziekenwagen een stilstaande waarnemer. Welke figuur geeft het verloop van de waargenomen frequentie als functie van de tijd weer?

-Welk van de onderstaande figuren geeft de druk (relatief tov de atmosferische druk) in de longen weer wanneer er eerst ingeademd wordt en vervolgens uitgeademd? Het punt T geeft de overgang van inademen naar uitademen weer.

-Geef voor elk van onderstaande voorbeelden aan welk het relevante deel van het elektromagnetisch spectrum is. Je dient je antwoorden niet te motiveren.

-Hoe groot moet de kracht zijn die inwerkt op een tand, om de lengte van een vulling uit amalgaam (50% Hg) met 0,10% te reduceren? Veronderstel dat de vulling een oppervlakte heeft van 4,0 mm2 en dat de vervorming elastisch is. De materiaalconstanten van amalgaam zijn: E=6×1010 N/m², K= 6,3×1010 N/m².

-Een luchtmatras is 2m lang, 0,5m breed en 15cm hoog. Bereken de maximale massa die de matras kan ondersteunen in zoet water. De luchtmatras heeft een massa van 1kg. De lucht in de matras kan verwaarloosd worden.

-Hoe verhoudt de stromingsweerstand van een capilair zich tot de stromingsweerstand van een ader indien het capilair een lengte heeft van 60micron en diameter van 10micron en een wanddikte van 5micron terwijl de ader een lengte heeft van 60cm, een diameter van 2mm en een wanddikte van 0,5mm.

-Een vlakke plaatcondensator wordt opgeladen door een batterij tot een potentiaalverschil van 12V. De batterij wordt daarna ontkoppeld. Vervolgens wordt de afstand tussen de platen van de condensator verdubbeld. Hoe verhoudt de elektrische energie die zich in de condensator bevindt na vergroting van de afstand tussen de platen, U’, zich tot de elektrische energie U die in de plaatscondensator opgeslagen was onmiddellijk na opladen.

-Geef voor elk van onderstaande beweringen over kleur aan of ze waar zijn of foutief (omcirkel je keuze)? Schrijf in de motivatie beknopt wat er niet correct is aan de beweringen die jij als foutief hebt aangeduid.

-Tijdens een luid concert bedraagt het geluidsniveau in de nabijheid van de luidsprekers 120dB. Hoeveel geluidsenergie is er vervat in een volume van 1m3 nabij de luidsprekers indien je weet dat de geluidsgolven zich voortplanten aan een snelheid van 340m/s. (Bescherm je oren! Oordopjes dragen op de fakbar wordt sterk aangeraden! PS kom zeker naar de fakbar xoxo)

-De figuur hiernaast toont de wijziging van het longvolume (in liter) als functie van de druk over het longvlies (in mmHg). Welk van de onderstaande beweringen is foutief. Schrijf in de motivatie wat er foutief is aan de door jou gekozen bewering.

-Het schema hiernaast toont het verloop van de membraanpotentiaal tijdens een actiepotentiaal. Welk van de onderstaande beweringen is correct, gegeven de tijdsaanduiding op de figuur?

-Twee schijven, die beide roteren rond een centrale as loodrecht op de schijf, hebben hetzelfde impulsmoment. Schijf 2 heeft twee keer meer kinetische energie dan schijf 1. Hoe verhoudt het traagheidmoment van de tweede schijf I2 zich tot het traagheidsmoment van de eerste schijf I1?

-Welke twee krachten zijn bepalend voor de beweging van een ion in een elektrolyt waarin twee elektroden zijn aangebracht die verbonden zijn met een spanningsbron? Je dient je antwoord niet te motiveren.

.

Chemie

-De atomaire samenstellingen van dimethylether en ethanol zijn gelijk (C2H6O). Toch zijn hun kookpunten verschillend. Welk van die twee moleculen heeft volgens u het hoogste kookpunt (Lewis-structuren zijn gegeven)

-We hebben geleerd dat het molecule Li2 op basis van de moleculaire orbitaaltheorie bestaat. Op basis van dezelfde theorie kan voor het diatomaire ion Li2+ gesteld worden dat:

-Binnen een periode (rij) in het periodiek systeem neemt de atoomstraal toe van links naar rechts omdat de atomen steeds meer elektronen bevatten. Juist of fout?

-Hieronder staat de lewisstructuur van ammoniak. Startend van de lewisstructuur en gebruik makend van het VSEPR model (zie ook tabel achteraan dit examen) kan men afleiden dat de moleculaire geometrie van ammoniak:

-Bij vorst wordt zout op de wegen gestrooid om zo het bevriezen van water uit te stellen tot lagere temperaturen. Meestal wordt NaCl gebruikt maar in vele gevallen ook CaCl2. Welke van deze twee, goed oplosbare zouten zorgt voor de grootste smeltpuntsdaling per gram gestrooid zout?

-AgCl is een zeer slecht oplosbaar zout. Wat gebeurt er met de oplosbaarheid van AgCl in een verzadigde AgCl oplossing als er aan diezelfde oplossing het goed oplosbare zout NaCl wordt toegevoegd?

-Hieronder staan de 4 mogelijke verschijningsvormen van het aminozuur Asparaginezuur gerangschikt van links naar rechts volgens een stijgende pH van de oplossing waarin Asparaginezuur zich bevindt. Verder geldt voor Asparaginezuur dat pKa1= 1,99 / pKa2= 3,90 / pKa3= 10,00. Wat is de nettolading van Asparaginezuur bij pH = 10,00?

-Je voert een chemische reactie uit die sterk exotherm is. De temperatuur van je reactievat loopt gevaarlijk hoog op en je beslist om je reactievat te koelen. Wat is het mogelijke effect van die koeling?

-We maken een fysiologische oplossing door een hoeveelheid NaCl (0,9%) op te lossen in water. Vervolgens warmen we die oplossing op tot 80°C. Bij deze temperatuur geldt voor die oplossing:

-Hieronder staat het fasediagram voor mengsels van Ag met Hg. Dit fasediagram is relevant voor amalgaam (WoW: Chemie is wel degelijk nuttig voor tandartsen, goed studeren xoxo). De streepjeslijnen zijn hulplijnen voor het aflezen van samenstellingen en temperaturen. Welke van de onderstaande beweringen is correct? Voor een Ag-Hg mengsel met 90 massa % Hg bij 0°C geldt dat:

-Het aantal nodale vlakken in alle bestaande d-orbitalen van de elementen is minstens gelijk aan:

-De Mandelungconstante (wat een moeilijke naam zeg) is een constante die van belang is voor het begrijpen van de sterkte van:

-Formaldehyde wordt gebruikt bij de bewaring van biologische preparaten. Een oplossing van formaldehyde in water wordt formol genoemd. De Lewisstructuur van formol wordt gegeven. Wat is de hybridisatietoestand van het C-atoom?

-Voor het vasstellen van tandbederf wint fluorescentie als detectietechniek aan belang. Daarbij wordt onder meer de fluorescentie van het molecule protoprfyrine gebruikt. Protoporfyrine is een metabolisch product van bacteriën en staat hieronder afgebeeld. Wel chemisch kenmerk van dit molecule draagt het meest bij tot de efficiënte fluorescentie van dit molecule?

– Hieronder staan de 4 mogelijke verschijningsvormen van het aminozuur Tyrosine gerangschikt van links naar rechts volgens een stijgende pH van de oplossing waarin Tyrosine zich bevindt. Verder geldt voor Tyrosine dat pKa1= 2,17 / pKa2= 9,19 / pKa3= 10,47. Wat is de nettolading van Tyrosine bij pH = 2,17?

-Als men voor een zekere chemische reactie berekent dat deltaGr0 negatief is, dan kan men daaruit besluiten dat de reactie aflopend is. Juist of fout?

-De omzetting van nitrosylbromide tot stikstofmonoxide en broomgas is een reactie waarbij alle verbindingen in de gasfase voorkomen: 2NOBr(g) <> 2NO(g) + Br2(g). Bij chemisch evenwicht is een zekere hoeveelheid broomgas, Br2, aanwezig (situatie 1). Na verhoging van de algemene druk (door bv. het reactievat kleiner te maken) en instelling van het chemische evenwicht zal de hoeveelheid broomgas:

-De pH van een oplossing van een monoprotisch sterk zuur (met Ca de concentratie aan sterk zuur) kan men, onafhankelijk van de grootte van Ca, steeds berekenen uit pH= -log(Ca). Juist of fout?

 2016-2017

PROEFEXAMEN:

Biologie

Stelling 1: Om biomolecules te doen ontstaan is enkel een oersoep van water, methaan, ammonia en waterstof nodig. Stelling 2: Meercellige dieren verschillen van een groep cellen door aan deze cellen verschillende functies toe te kennen (differentie). Stelling 3: Klievingsdelingen verlopen in alle vertebraten diersoorten gelijkaardig. Het embryo klieft volledig en blastomeren worden gevormd, en alle blastomeren hebben een evenwaardige potentie om uit te groeien tot een volwaardig embryo. Stelling 4: Tijdens gastrulatie worden uit de plaatvormige epiblast de drie kiembladen gevormd. Stelling 5: Reprogrammeren is het opnieuw verwerven van de capaciteit van een totipotente stamcel door een lichaamscel en kan toegepast worden op elke lichaamscel. Stelling 6: Het maakt geen verschil uit van welke stamcellen (adult, embryonaal, iPSC) men vertrekt om tanden te maken, als men ze maar differentieert tot epitheliale progenitorcellen en mesenchymale progenitorcellen en deze beiden mengt kunnen –in principe- tanden gemaakt worden voor elke persoon. Stelling 7: In de darmwand worden aminozuren, suikers en vetzuren doorheen de epitheliale darmcellen getransporteerd naar het bloed. Stelling 8: Het hongergevoel wordt veroorzaakt door het hormoon leptine, dat voedselinname stimuleert. Stelling 9: In tegenstelling tot vissen, kunnen vogels en zoogdieren hun urine wel concentreren. Dit komt doordat uitgefilterd water in de nier heropgenomen kan worden over de gehele lengte van het nefron. Stelling 10: Bij hyperventilatie wordt het zuurstof dat gebonden is aan hemoglobine sneller vrijgegeven in het bloed.

Chemie

1. Binnen een periode (rij) in het periodiek systeem neemt de atoomstraal toe van links naar rechts omdat de atomen steeds meer elektronen bevatten. De stelling is juist of fout?

2. In tandpasta’s wordt vaak Fluoride gebruikt om tandbederf te voorkomen. Zou dit ook lukken met tandpasta’s met chloride-ionen?

3. Hieronder staat het fasediagram van Sn met Pb met daarnaast een microscopische opname van de structuur bij 50°C die wordt verkregen langs het afkoelen van een gesmolten legering vanaf 300°C. Deze legering bestaan uit 50% Pb. Bij 50°C komen de a en b-fase voor. De zwarte kleur in de structuur komt overeen met de A) a-fase B) b-fase

4. Onderstaand figuur is een voorstelling volgens de valentiebindingstheorie voor een molecule bestaande uit waterstof (H), koolstof (C) en een ander atoom (?). Dit andere atoom is: A) C B) N C) O D) Cl

5. De volgende verschijningsvormen van Helium (He) bestaan: A) He en He2 B) He en He2 + C) Enkel He

6. Hieronder staan twee stellingen: i) Bij een gas bestaan uit grote moleculen zonder interacties tussen de moleculen zal de reële druk groter zijn dan de druk berekend op basis van de ideale gaswet (voor zelfde volume van de gascontainer, bij gelijke temperatuur en aantal gasmoleculen). ii) Bij een gas bestaande uit moleculen met verwaarloosbare afmetingen en met sterke onderlinge interacties tussen de moleculen zal de reële druk groter zijn dan de druk berekend op basis van de ideale gaswet (voor zelfde volume van de gascontainer, bij gelijke temperatuur en aantal gasmoleculen). A) Alleen stelling i is correct. B) Alleen stelling ii is correct. C) Beide stellingen zijn fout. D) Beide stellingen zijn juist. Bij de verantwoording kun je de reële gaswet gebruiken (de zogenaamde van der Waalsvergelijking) zoals hieronder gegeven:

7. Hieronder zijn 2 moleculen voorgesteld die vloeibaar zijn bij kamertemperatuur. Voor hun kookpunt geldt: A) A>B B) A<B C) A=B

8. Hier volgen enkele eigenschappen van zuivere vloeistoffen: oppervlaktespanning, viscositeit en dampspanning. Welke van de onderstaande stellingen is correct? A) Alle opgesomde eigenschappen stijgen met groter wordende intermoleculaire interacties tussen de vloeistofmoleculen. B) Alle opgesomde eigenschappen dalen met groter wordende intermoleculaire interacties tussen de vloeistofmoleculen. C) Sommige van de opgesomde eigenschappen dalen, terwijl andere stijgen met groter wordende intermoleculaire interacties tussen de vloeistofmoleculen.

9. We maken 2 (verdunde) oplossingen van goed oplosbare zouten. Oplossing 1: 1 gram NaCl in 1 kg water. Oplossing 2: 1 gram CaCl2 in 1 kg water. Welk systeem heeft het hoogste kookpunt? Geg: De molaire massa’s van de atomen zijn: Na (23g/mol), Cl (35,5 g/mol) en Ca (40 g/mol). Je mag aannemen dat de activiteitscoëfficiënten van de ionen gelijk zijn aan 1. A) Puur water B) Oplossing 1 C) Oplossing 2

10. Bij een elementaire reactie van het type 2A=>B wordt de initiële reactiesnelheid gemeten. Dit is als haast nog geen ‘B’ werd gevormd. Bij de start is [B] effectief gelijk aan nul. Deze reactie noemen we situatie 1. Bij situatie 2 wordt dezelfde reactie uitgevoerd maar met een beginconcentrratie aan ‘A’ die het dubbel is van deze bij situati 1. Bij situatie 2 stelt met vast dat de initiële reactiesnelheid in vergelijking met die van bij situatie 1: A) Gelijk is B) Verdubbeld is C) Verviervoudigd is D) Veranderd is, maar niet zoals in de mogelijkheden (B) en (C)

 

Biofysica

(multiple choice met motivatie)

Vraag 1: In een waterleiding stroomt water van een smalle cilindrische buis (zone 1) in een brede cilindrische buis (zone 2). Welke beweringen over de stroomsnelheden en de drukken in zone 1 (v1 en p1) en in zone 2 (v2 en p2) is correct?

Vraag 2: Vijf huilende baby’s prduceren elk een geluidsintensiteit van 8,9*10-8 W/m3 . Wat is het waargenomen geluidsniveau?

Vraag 3: Veronderstel dat je een sneetje maakt van 5,0 mm in de lengterichting van de aorta, welke een diameter van 2,5cm heeft. Wetende dat de overdruk (drukverschil binnenzijde bloedvat tot buitenzijde) in aorta typisch 12 kPa bedraagt, hoe groot is dan de (tangentiële) kracht die minimaal op de aorta moet uitgeoefend worden om deze samen te houden? Opmerking: Je kan bloedvaten beschouwen als cilindrische buizen.

Vraag 4: Een schaatsstel die ronddraait met uitgestrekte armen heeft een traagheidsmoment ten opzichte van de rotatieas I en een kinetische energie K. Vervolgens brengt ze haar armen naar haar lichaam waardoor het traagheidsmoment daalt tot I’= I/3. Kaar kinetische energie K’ bedraagt nu?

Vraag 5: Bereken de grootte van de kracht FM, die de triceps uitoefent om een bal van 7,5 kg vast te houden zoals weergegeven op de figuur. Veronderstel dat de onderarm een massa van 2,8 kg heeft en het zwaartepunt van de onderarm om 12 cm van het ellebooggewricht ligt. De triceps grijpt aan op 2,5 cm van het ellebooggewricht (zie figuur).

Vraag 6: Schat hoeveel haarvaten er zijn in het menselijk lichaam wetende dat bloed door de aorta (straal 1,3 cm) stroomt aan een snelheid van 0,30 m/s en door capillairen (straal 3,5 µm) aan een snelheid van 5*10-4 m/s.

Vraag 7: Hoe groot moet de kracht zijn die inwerkt op een tand, om de lengte van een vulling amalgaan met 0,10% te reduceren? Veronderstel dat de vulling een oppervlakte heeft van 4,0 mm2 en dat de vervorming elastisch is. De materiaalconstanden van amalgaan zijn: E=6,0*1010 N/m2 , G=2,3*1010 N/m2 , K=6,3*1010 N/m2 .

Vraag 8: Een volle cilinder met massa m en straal R rolt zonder slippen van een helling met hoogte h. Hoeveel bedraag de snelheid v onderaan de helling indien de cilinder vanop hoogte h in rust losgelaten werd?

Vraag 9: Op een cilinder worden krachten uitgeoefend zoals weergegeven door de pijltjes. Geef voor elk van de onderstaande figuren aan hoe men de weergegeven spanning noemt. Je dient je antwoord niet te motiveren.

Vraag 10: Een ziekenhuiswagen rijdt aan een constante snelheid langs een rechte weg. De sirene van de ziekenwagen zendt geluidsgolven uit met frequentie f0. Op tijdstip t=t0 passeert de ziekenwagen een stilstaande waarnemer. Welk figuur geeft het verloop van de waargenomen frequentie weer in functie van de tijd?